13.55
Tenslotte heb ik de sprong gewaagd, uit iemands nachtmerrie gestapt. Al die tijd wist ik dat het zijn nachtmerrie betrof maar om de een of andere reden werd ik gedwongen om ervan te getuigen, daarbij nogal wat klappen gekregen terwijl hij bezig was zichzelf om de oren te slaan – dacht net iets te vaak dat de mijne de zijne waren. Dit omschrijft zo ongeveer de situatie. Maar is nu afgelopen. Althans mijn deelname. Mensen die om mij geven steken mij een hart onder de riem. Helemaal vanuit Californië.
Waarbij ik me nu afvraag: zal hij af komen met zijn uitnodiging deel te nemen aan zijn….droom? Of anders als sollicitant voor een rol in mijn eigen droom?
Op de radio kleppen mensen over onbelangrijke onderwerpen, kennelijk vinden zij zichzelf grappig, onderhoudend, gevat, leuk, pienter, wat dan ook, maar man, wat een zeikerig zootje. Ondertussen demonstreren mensen in Amsterdam voor het welzijn van de varkens en in Praag poetsen vrijgezellen hun seksleven op in speciaal daartoe ingerichte treincoupés. Deze berichten conform de feitelijke waarheid.
Om mezelf verstandiger bezig te houden dan hier te zitten en als verdoofd voor me uit te staren, zou ik net zo goed in de voetsporen kunnen treden van een of ander beroemde schrijver. Waar ging hij heen? Hij ondernam een reis door zijn kamer. Iedereen aan boord…. daar gaan we! Mijn ogen nemen mij mee naar een schilderij van mijzelf als eerste bestemming, rechts boven mij, aan de zilveren wand. Het laat mij zien als vierjarige, zoals ik vanaf het doek de wereld in kijk met ernstige ogen, grijs en vasthoudend. Mijn haar, een kort bob model. heeft een groenige weerschijn. Ik herinner mij dat ik hiermee kwam, rechtuit: “Mijn haar is verkeerd, het ziet er groen uit maar het is geel.” Er kwam nog enige overredingskracht aan te pas om mij te laten poseren. Tenslotte stemde ik toe, maar een betrouwbare bron rapporteerde dat ik mijn voorwaarde stelde: “Ja, ik wil wel op het plaatje maar alleen als ik er straks ook weer af kan.” Van dit laatste is toe nu toe nog niets gekomen.
Volgende halte: de lei die aan een touwtje om een spijker hangt, onmiddellijk onder het schilderij. Deze lei is zo’n ouderwetse rechthoekige exemplaar, een zwart oppervlak gevat in hout. Het gladde oppervlak bevat tekst: “10-09-12 DAG! Tot morgen”, daaronder: “22-09-12 Tot morgen”, en de derde regel: 1-3-13 DAG!”
Sinds die ene dag, waarop mijn moeder, dement en bedlegerig, verblijvend in een zorgcentrum, naliet mijn gebruikelijke afscheid waarmee ik mijn bezoek besloot, te honoreren met een wedergroet, begon ik ze op te schrijven; tot deze actie gedreven door de wetenschap dat ze op een dag haar laatste afscheid zou hebben uitgesproken – misschien wegens haar dood, maar daarvoor al omreden van haar falende spraak. Zoals we kunnen zien, toont de lei 1 maart 2013 als de laatste keer dat ze in staat was mij gedag te zeggen, tot nu toe. Wanneer ik naar die lei kijk word ik vervuld van droefheid. Toch aarzel ik om hem te verwijderen.
Het lijkt het best om dat leitje te verlaten om verder te gaan naar de volgende halte: mijn camera. Daar staat hij, op zijn hoofd op het blad van mijn rood houten keukentafel. Een NikonD90. Hij heeft zichzelf een fijne metgezel betoond, altijd gretig om mee uit schieten te aan, altijd hulpvaardig, een vermogen voor twee hele weken, niettegenstaande een hele hoop hard hard werken – hij fantastisch om vast te houden, een stevig lichaam maar toch niet zwaar, enorm bereidwillig, klaagt nooit, een geweldig oog en laat me nooit in de steek. Wat kun je je nog meer wensen? Afgezien van een gozer met net zulke trekken.
Tegen deze tijd zijn we aanbeland op mijn tafel, zoals gezegd, een rood houten keukentafel. Ofwel hij verdient zijn naam omdat hij speciaal werd ontworpen om in een keuken te worden geplaatst, of anders noem ik hem zo vanwege het feit dat hij bij mij in de keuken staat, of, mogelijkheid nummer drie: dat wij in dit land veel keukens uitgerust zien met tafels van deze bepaalde vorm en formaat. Wat het eenvoudigste is wat je je maar kunt indenken voor wat betreft tafels: een rechthoekig blad, vier vierkante poten aan de vier hoeken, verbonden door steunen waarop het blad van massief dik hout rust. En rood! Helemaal rood, een helder vrolijk rood.
Laat me beginnen te zeggen dat ik mijn hele leven al van een rood houten keukentafel had gedroomd, precies zoals die waaraan ik nu zit te typen op het toetsenbord van mijn laptop. Van tijd tot tijd kwam het verlangen naar de begeerde tafel op, om weer te af te zakken eenmaal voorbij het stadium van fantaseren, daadwerkelijk het Net afzoekend voor dit type tafel – veel webpagina’s passeerden mijn struinende oog maar ze vielen nooit op *die* bepaalde tafel die stevig en zonder te wijken voor een andere op mijn netvlies stond.
Op een dag geviel het dat ik, terug naar huis fietsend vanuit de stad, een fata morgana gewaar werd, pardoes midden op de stoep aan mijn rechterhand. Ik hield stil, stapte af, zette mijn fiets op de steun en benaderde behoedzaam de fata morgana, zonder mijn ogen ook maar één seconde af te wenden. Uiterst voorzichtig strekte ik mijn hand uit om het heldere rode hout van mijn droom keukentafel aan te raken. Echt, hij was echt, hij lost niet op toen mijn vingers het glanzende hout liefkoosden. Ik voelde een vreemde gewaarwording door mijn hersens gaan, mijn voeten tintelden en mijn handen trilden. Enkele ogenblikken lang stond ik daar, in trance. Toen kwam ik weer bij mijn positieven, dit was een stoffelijke tafel, geen product van mijn verbeelding of een vorm ontstaan door thermische gecomprimeerde hete lucht. Dus: hoe krijg ik hem thuis? Want mijn (ja, hij was al van mij) tafel en ik waren van mijn flat gescheiden door twee en een halve kilometer straat, de tafel mat een behoorlijk stuk meer dan een meter aan de langste zijde, waarschijnlijk 75 centimeter aan de kortste en hij had de standaardlengte van keukentafels, zo rond de 75 centimeter. Na wat geprakkizeer meende ik dat ik hem wel thuis zou kunnen krijgen, op de bagagedrager van mijn fiets geladen, vlak achter het zadel… maar hoe kreeg ik hem daarop?
Een man met een angstig dunne whippet verscheen om de hoek – ik liet het beestje schrikken toen ik zijn baasje overviel op een directe, bijna brute wijze: “Mijnheer, wilt u mij alstublieft even helpen om deze tafel op mijn fiets te krijgen, dank u!” terwijl ik hem aankeek met mijn breedste glimlach en ogen die zeker geen *nee* als antwoord hadden geaccepteerd op dit omgekeerde aanbod wat hij niet zou kunnen weigeren.
Bereidwillig bond hij de whippet aan een boom en samen slaagden we erin om de tafel op de bagagedrager te krijgen, bovenkant onder, de vier poten strijdlustig in de lucht. Staand naast mij fiets, mijn linkerhand aan het stuur, daarbij de tafel in evenwicht houdend met mijn rechter, dankte ik hem uitvoerig en begon aan mijn reis huiswaarts, mijn fiets besturend als een schip. Die twee en een halve kilometer waren lang, heel lang, er scheen geen eind aan te komen. Maar mijn krachten hielden het, ofschoon ik verbaasd was dat mijn rechterarm niet werkelijk losliet door de schiere spanning benodigd om de zware tafel in balans te houden op zijn smalle roest.
Eindelijk schoot ik een vuurpijl af in de lucht toen ik daar dan stond, voor de hoofdingang van mijn flat blok. Maar nu? Hoe kreeg ik de tafel van de fiets af, in de lift, naar de tweede woonlaag, om hem vervolgens te vervoeren over vijftig meter galerij, om hem dan mijn volgepropte gangetje in te manoeuvreren, en van daaruit in the volle keuken, waar trouwens al zijn voorganger stond?
Een man die ik herkende als mijn buurman, zes deuren verderop aan de galerij, kwam de hoek om. Hij zag mij daar staan, zweet op mijn voorhoofd, rode gezwollen handen en met een vreemd licht in mijn ogen. “Aha!” riep hij uit, “Je hoeft niks te zeggen, jij hebt ergens langs de route een tafel meegenomen… laat mij je een handje helpen.”
Drie kwartier later was de oude tafel teruggebracht tot een setje onderdelen en het nieuwe rode Wonder stond trots op zijn plaats, de Koning van al ‘s werelds keukentafels, omkranst door een stralende aura, zichtbare trillingen gingen ervan uit in alle richtingen.
Ik dankte mijn buurman en nadat ik hem had uitgelaten, nam ik plaats aan mijn Wonder, mijn handen met de palmen naar beneden devoot naast ekaar op het blad gelegd. En het was January 2008 en het was Drie Koningen.
ENGLISH
13.55
I have finally made the break. removed myself from someone else’s nightmare. All along I knew it to be his nightmare but for some reason I was forced to be a witness, taking quite a few of the blows as he was boxing his own ears, mistaking mine for his all too often. This about sums it up. But now ended. At least my participation. People who care for me are supporting me, giving me a heads up. All the way from California.
Which leaves me to wonder: will he come around to invite to partake of his…. dream? Or else to beg for a role in my own dream?
On the radio people are yacking about irrelevant subjects evidently thinking themselves to be funny, entertaining, smart, cute, bright, whatever, but man, are they a boring bunch. Meanwhile in Amsterdam people march for the welfare of the pigs and in Prague singles are brushing up their sex life in special trainsections intended precisely for that. These messages in accordance with the factual truth.
In order to busy myself in a more sensible way than just sitting here feeling dazed I may as well follow in some famous writer’s tracks. Where did he go? He undertook a journey through his room. All aboard…. here we go! My eyes take me to a painting of myself as a first destination, above me to the right, hanging to the silvery wall. It portrays me, a four year old, gazing from the canvas into the world with serious eyes, gray and steady. My hair, a fairy short bob, shows a greenish glow. I recall objecting when the painting was finished, pointing out point blank: “My hair is wrong, it looks green but it’s yellow.” Getting me to pose took some cajoling. In the end I consented but a reliable source reported me to have stated my condition: “Yes, I will go on the picture but only if I can get off later.” The latter hasn’t worked out to this day.
Next stop: the slate hanging from a piece of string looped around a tack, directly under the painting. This slate is one of those old fashioned rectangular models, a black surface framed in wood. There’s text on the smooth surface: “10-09-12 DAG! Tot morgen”, underneath that “22-09-12 Tot morgen” and the third line: “1-3-13 DAG!”
Since that particular day, when my mother, demented and bedridden, residing in a carecenter, omitted reciprocating my ususal goodbye to conclude my evening visit, I started writing them down; driven to this action by the knowledge that one day she would have phrased her very last goodbye – perhaps through death, but before that due to the power of speech failing her. As we can see, the slate shows March 1, 2013 as so far the last time she was able to bid me goodbye, in Dutch “dag”. Looking at that slate fills me with sadness. Yet I do hestitate to remove it.
It seems the wisest to leave that slate, continueing for the next stop: my camera. There it is, standing on it’s head upon the surface of my red wooden kitchen table. A Nikon D90. He has shown himself to be a fine companion, always eager to go out shooting, always helpful, power that holds out for twee whole weeks notwithstanding a great deal of hard hard work – he is great to hold, a sturdy body yet not heavy, immensely cooperative, never complaining, a great eye and never lets me down. What more could one wish? Apart from a guy with the same characteristics.
By this time we have landed on my table, as said, a red wooden kitchen table. Either it deserves its name because it was expressly designed as a table to be put in a kitchen or else I call it that because of the fact that it is standing in my kitchen or else, possibility number three: that in this country we see many kitchens fitted out with tables of this particular shape and size. Which is the very simplest you can imagine as far as tables go: a rectangular top, four squared legs at the four corners connected by the rests to hold the top of solid thick wood. And red! All over, a bright cheerful red.
Let me begin to say that all my life I had been dreaming of a red kitchen table, exactly like the one I am seated at now, typing on my laptop’s keyboard. From time to time my desire for the coveted table would rise , only to subside once past the stage of fantasizing, actually searching the Net for this type of table – many webpages passed my scrounging eye but they never ever brought up *that* particular table which stood firm to never make place for any other on my mind’s eye.
Then it came to pass that one day as I was cycling home from downtown I perceived a fata morgana, right in the middle of the pavement to my right. I halted my bike, stepped off it, set it on the parking rest and slowly approached the fata morgana, not once turning my eyes away from it. Ever so cautiously I stretched out my hand to touch the bright red wood of my dream kitchentable. Real, it was real, it did not dissolve as my fingers caressed the shiny wood. I felt a strange sensation coursing through my brain, my feet tingled and my hands trembled. For a few moments I stood there, entranced. Then I collected my wits about me, this was a material table, not a figment of my imagination or a form shaped by thermal compressed hot air. So: how to get it home? For between me and (already) my table and my flat lay two and a half kilometers, the table measured well over one meter at the longest side, presumably 75 centimeters at the shortest and it had the standard height of kitchen tables, some 75 centimeters. I figured I could get it home, loaded onto the back carrier of my bike, right behind the saddle…but how to get it up?
A man with a frighteningly thin whippet rounded the corner – I scared the creature when I descended upon its master in a direct, almost brutal way: “Sir, please give me a hand getting this table on my bike, thank you!”, looking at him with my widest smile and eyes that surely would not accept *no* for an answer to this inverted offer he couldn’t refuse.He obligingly tied the whippet to a tree and together we somehow got the table onto the carrier, its top down, the four legs defiantly rising up in the air. Standing beside my bike, holding the handlebars with my left hand, steadying the table with my right, I thanked him effusively and embarked upon the voyage home, steering my bike like a boat. Those two and a half kilometers were long, very long, there seemed no end to them. But my strength held out, although I was surprised my right arm did not actually drop off from sheer tension needed to steady the heavy table on its narrow perch.
Finally I shot an imaginary flare into the skies when there I stood, before the main entrance to my flat block. So now? How to get the table off of the bike, into the elevator, to the second floor, to then transport it along a fifty meter stretch of gallery, to then manoeuvre it into my cluttered corridor and from there into the cluttered kitchen, which already held its predecessor?
A man whom I recognized as my neighbour, six doors further down the gallery, rounded the corner. He saw me standing there, sweat on my brow, red swollen hands and a strange light glowing in my eyes. “Ah!” he exclaimed, “Don’t tell me, you picked up a table somewhere along the way… lemme give you a hand.”
Three quarters of an hour later the old table had been dismantled into a set of parts and the new Red Miracle proudly stood in its place, the King of all the world’s kitchen tables, surrounded by a shimmering aura, visible vibrations emanating from it in all directions.
I thanked my neighbour and after I had shown him out, sat down at my Miracle, my hands, palms down, devotely side by side on its surface. And it was January 2008 and it was Epiphany.