Amsterdam, donderdag-Thursday 07-08-20

Kinderen & Discipline? “Ja Graag!

Heeft de toenemende en steeds luider wordende roep om sociale verdraagzaamheid ook de neiging van de mens om het ongepaste gedrag van kinderen in te tomen om zeep geholpen? Of uit angst dat ze de liefde van hun gebroed zullen verspelen? Het conflict vermijden (met name in het openbaar)? Of omdat de moeite ze teveel is? Of een of andere trendy en heersende gril dat het laten varen van discipline kinderen gelukkig zal maken?

Gisteren, in het park, zag ik een klein meisje dat handenvol zand naar de nandoes achter het hek wierp. Een van de vogels knipperde toer er zand in diens orgen kwam. De ouders waren geheel in beslag genomen door het schieten van de geiten in de omheinde weide naast het erf van de vogels.

Ik ging naar de kleine onverlaat toe en zei haar op te houden met wat ze aan het doen was; ze wierp me een strakke, vragende blik, het zand nog steeds in haar kleine vuistjes. De twee die verantwoordelijk waren voor haar bestaan draaiden zich naar me toe en keken naar mij op exact dezelfde wijze als hun kind, feitelijk de meeste wezenloze blik die ik ooit uit menselijke ogen heb gezien. Daarna glimlachten ze naar hun dochter, hieven hun camera’s en gingen verder met focussen op de geiten. Ondertussen hadden de vogels zich teruggetrokken, verder weg op het erf. Misschien hebben ze hun les geleerd:  ga met een grote boog om kleine meisjes heen die zand scheppen. Ik vroeg me af of het kind iets van mijn afkeuring heeft kunnen leren. Nu is dit incident niet het eerste geval waar ouders helemaal buiten het gedrag van hun kind lijken te staan (afgezien van het feit dat ze niet probeerden een vreemdeling discipline op te leggen die hun kind wilde disciplineren dat zich bezig hield met schadelijke handelingen, wat op zichzelf opmerkelijk kan worden genoemd).

Ik heb duidelijke herinneringen uit mijn jonge dagen waar volwassenen ingrepen, net als ik gisteren, om het gedrag van kinderen te corrigeren, ofwel hun ouders, of, in hun afwezigheid, willekeurige volwassene toevallig ter plekke. Kinderen waren ten eerste al nooit ver van hun scheppers, en enigerlei correctie zou dan ook van hen af komen. Die van vandaag de dag lijken het niet zo nodig te vinden hun nakomelingen te breidelen, of misschien totaal onnodig.  Ouders bewandelen de weg van ongelimiteerde tolerantie. Letterlijk “alles” is helemaal prima in hun goedkeurende ogen, en ik bedoel letterlijk.

“Begeleiding” is een verouderd woord geworden in de context van de opvoeding van kinderen. Ik zie een ouder nooit een kind berispen die voortdurend volwassen in gesprek onderbreekt met geschreeuw en getrek aan de arm, handen of kleren van de spreker, hoor buren nooit hun kind instrueren om te reageren op de begroeting van de buurvrouw, als het daar maar staat te staren met open mond, de dag dat ik een moeder haar kind het bevel zie geven om op te houden artikelen van supermarktschappen te rukken en ze in de winkelwagen te smijten, moet nog komen en gelijkaardige voorbeelden van onbeteugelde jeugdige verkenning, ik zie een volwassenen er nooit een punt van maken dat diens gebroed naast hen blijft, in plaats weg te lopen, uit het zicht. Waar is de sterke hand hier? Kennelijk beseffen opvoeders niet dat kinderen grootbrengen voor driekwart bestaat uit discipline, te beginnen bij 0 jaar.

Weten zij eigenlijk wel dat je kinderen remt in hun ontwikkeling wanneer je hen niet reguleert? Weten ze niet dat het verzuim om de funderingen voor goed gedrag te leggen zal uitmonden in een schare nare gevolgen? Zoals gebrek aan zelfbeheersing, egoïsme, gebrek aan respect, onbekendheid met gepast gedrag, onbekendheid met de noden van anderen, een onvermogen voor empathie, om een paar te noemen?
Ik kan alleen maar concluderen dat ze het niet weten, maar ik heb geen helder beeld omtrent de oorzaak van deze onwetendheid, de openingsvraag van mijn artikel.

Wanneer veranderden mijn gevoelens jegens kinderen? Was er een tijd toen ik ze graag mocht om hun ontwapenende houding, hun creativiteit, hun grappige antwoorden, hun oprechtheid, niet gecensureerd door de politieke correctheid van volwassenen? Ik geloof van wel. En dat was in de dagen toen de uitspraak: “Kinderen moeten worden gezien maar niet gehoord”, nog kracht had, de era toen ouders nog controle over hun kinderen hadden.
Ik herinner mij dat ik een korte samenvatting van de kwestie op mijn Facebook Timeline publiceerde, ik citeer:

“Ouderschap van nu: de een schuift iets van hemzelf naar binnen bij de ander, die het er 9 maanden later uit duwt – GEEN van beide neemt de verantwoordelijkheid voor het resultaat van dit potje n**ken, maar in plaats daarvan leunen ze lekker ontspannen achterover terwijl hun snotapen als ongeleide projectielen overal en nergens rondrennen en klieren zodat ANDERE MENSEN zich kapot ergeren”.

Foto:

 

Children & Discipline? Yes Please!

Has the increasing and ever louder clamor for social tolerance also killed people’s inclination to curb children’s less than appropriate behavior? Or out of fear, lest they might lose their brood’s love? Avoiding conflict (notably in public)? Or just “can’t be bothered” ? Or some trendy and prevailing notion that dropping discipline will make children happy?
Yesterday, in the park, I noticed a little girl throwing handfuls of sand at the greater rheas behind the fence. One of the birds blinked as the sand got into its eyes. The parents were entirely engrossed in shooting the goats in the paddock adjacent to the birds’ yard.

I approached and told the little offender to stop what she was doing; she gazed at me quizzically, still clutching sand in her tiny fists. The two responsible for her existence, turned to me and replicated their kid’s gaze, in fact it was the blankest stare I have ever seen from human eyes. They then smiled at their daughter, raised their cameras and went back at focusing on the goats. Meanwhile the birds had retreated deeper into the yard. Perhaps lesson learned: steer clear of little girls scooping up sand. I wonder if my disapproval will have taught the kid anything.
Now this incident is not the first instance where parents seem to be totally disconnected with their child’s behavior (apart from the fact that this time they did not try to discipline a stranger trying to discipline their kid engaged in, harmful, actions which in itself is quite remarkable).

I have clear recollections from my young days where adults stepped in, not unlike I did yesterday, to correct kids’ conduct, either their parents or in the absence of those, random adults who happened to be at the scene. Children were never far from their creators in the first place and any correcting would come from them. Those of today are not very concerned with bridling their offspring, or even not at all. Parents are walking the road of unlimited tolerance. Literally *everything* is just fine in their approving eyes, and I mean literally.

“Guidance” has become an obsolete word in the context of raising children. I never see a parent admonish a child who is constantly interrupting adults in conversation, yelling and tugging at the talkers’ arm, hands or clothing, never hear neighbors instruct their brat to respond to the greeting of the lady next door, when it just stands, stares and gapes, the day I spot a mother ordering her child to quit yanking items from super market shelves and chuck them in the trolley has yet to come and similar examples of unrestrained juvenile exploration, I never witness an adult insist their brood to stay alongside of them, instead of wandering off out of sight. Where is the firm hand here? Evidently educators  do not realize that discipline constitutes three quarters of the job of raising children, starting at age 0.

Do they know that not regulating kids actually means you arrest their development? Do they know that not laying the foundations for good behavior will result in a host of nasty consequences? Like lack of self control, selfishness, lack of respect, unfamiliarity with appropriate behavior, unawareness of others’ needs, an incapacity for empathy, to name a few?
I can only conclude that they do not know, but I have no clear idea of the cause of this ignorance, the question I posed to open my article.

When did my feelings towards children change? Was there a time when I liked them for their disarming attitude, their creativity, their funny answers, their forthrightness, uncensored by adult political correctness? I believe there was. And that was in the days when the saying: “Children should be seen and not heard” still had power, the era when parents still had a handle on their children.
I recall posting a short summary of the matter on my Facebook Timeline, quote:

“Present day parenthood: the one introduces a part of himself into the other, who pushes it out of herself nine months later — they both do NOT take the responsibility for the result of this f*ck but instead sit back and relax while their brats run wild, being a pain everywhere and anywhere, to annoy the hell out of OTHER PEOPLE”

Photo: 

Amsterdam, zondag-Sunday 02-08-20

VGV: Kappen

 

Aan de lezer: enige basiskennis van vrouwelijke genitale verminking is vereist voor een degelijk begrip van onderstaand artikel, wat ingaat op enige, voornamelijk, mentale aspecten.

Ik lees en lees en lees ieder ernstig te nemen vodje documentatie wat onder mijn handen komt over VGV, het ritueel, de gevolgen, lichamelijk en emotioneel, voor de vrouw, voor de man, voor hen beide, verbonden binnen het huwelijk. Vooral dat laatste deel van de kwestie wordt gewoonlijk niet meegenomen in veel rapporten, die uitsluitende focussen op de gevolgen voor de vrouwelijke slachtoffers. Maar in feite zijn er *twee* slachtoffers want terwijl de man de horribele operaties niet hoeft te ondergaan, kan hij duidelijk het probleem niet ontwijken, met een dichtgenaaide vrouw die onder hem ligt, en die hij moet ‘open maken”. Nota bene, de omstandigheden waarvan ik verhaal, zijn gebaseerd op vraaggesprekken met geïnfibuleerde vrouwen  en mannen getrouwd met slachtoffers van deze praktijk.

In een situatie waar de vrouwelijke helft van een stel VGV van het derde type heeft ondergaan, infibulatie, wordt het “overlevingsmechanisme” zelf, het omgaan met de ontoegankelijkheid van het lichaam van de vrouw, de focus van hun huwelijksgeluk; wil zij emotioneel overleven dan zit er niets anders op dan te genieten van de voldoening een sterke vrouw te zijn die in staat is de pijn te verdragen wanneer haar man’s penis in een gaatje met de omvang van een luciferhoutje wordt geschoven, en zich zelfs over deze “overwinning” te verheugen, vergezeld van gevoelens van trots; hij, aan de andere kant, mag het genoegen smaken mannelijk genoeg te zijn om deze prestatie uiteindelijk te leveren, onversaagd, in weerwil van de wetenschap dat zijn vrouw pijn lijdt door zijn penetratiepogingen, en de operatie te beëindigen (onbedoelde woordspeling) door in haar tot een orgasme te komen, niet zelden na weken of zelfs maanden, proberen. Aldus heeft hij zijn ‘viriliteit’ en “mannelijkheid” bewezen.
En zo is het fysieke deel van hun band als man en vrouw gegrondvest op pijn: de vrouw als het slachtoffer en de man als haar beul.

Of, om met de woorden van een Soedanese man te spreken (alwaar de noodzakelijke de-infibulatie wegens de geboorte van het kind dient te worden gevolgd door her-infibulatie, wat op zijn beurt logischerwijze moet worden gevolgd door de-infibulatie via penis-penetratie van de echtgenoot…. en weer, volledige de-infibulatie voor de komende geboorte en jawel, her-infibulatie enz. en zo herhaalt zich deze cyclus van uitzonderlijk pijnlijke procedures door heel de vruchtbare jaren van de vrouw), maar laat ik niet afdwalen, dus met de woorden van een Soedanese man: “Je moet een *man* zijn om de dame open te maken“.

Over het citaat van de Soedanese man: let op de simplificatie die het gevolg is van verbijsterende onwetendheid aangaande de reactie van een organisme op een brute amputatie, wat essentieel weefsel vernietigt. Hij kan die *man* niet zijn, wanneer het wegsnijden van de clitoris, de kleine schaamlippen, de grote schaamlippen en het dichtnaaien van de nog resterende huid ter weerszijden van de vulva, resulteerde in een flap verdikte huid + littekenweefsel, want tien tegen een dat die flap niet wijkt voor de druk van de penis. Dit is geen hogere wiskunde. Dus hoe kan hij die man dan *wel* zijn? Wanneer zijn piemel groot en hard genoeg is en de eigenaar voldoende ongevoelig voor de pijnkreten van zijn vrouw om door de huid heen te raggen en doen scheuren? Of, wanneer zijn jongeheer tenslotte toch niet blijkt te zijn vervaardigd uit schokbeton, is hij “man” genoeg om naar de keuken te lopen, dat vleesmes te pakken en dwars door dat tragische overblijfsel van wat een prima poes had kunnen zijn, te snijden? (Ja, in de praktijk van het leven neemt men zijn toevlucht tot deze maatregel.)
Dan is er een zeurende ongerustheid in zijn achterhoofd: mocht hij er niet in slagen “de dame” te openen, zal hij een zwakkeling zijn in de ogen van diezelfde dame, die daar ligt, benen wijd en vol van pijn, misschien bebloed, en, nog erger, dat zijn schoonfamilie en zijn eigen familie hem een verliezer noemen. Falen zal zijn leven kapot maken.
Met andere woorden.: je moet een slager zijn om de dame open te maken.

Uit de documentatie die ik doornam werd duidelijk dat van zoiets als een “ontspannen seksleven” tussen de echtelieden totaal geen sprake kan zijn, in deze gemeenschappen waar VGV de ongeschreven wet is; de levenslange gevolgen veroorzaken problemen (misschien ook “levenslang” naar gelang de duur van hun huwelijk), niet alleen voor de verminkte vrouw, maar ook voor de man, die, letterlijk, met de situatie moet omgaan, gezien zijn positie. Hoe kan het omgaan met een dichtgenaaide vrouw een man NIET emotioneel ongeëmancipeerd doen zijn? Vooreerst omdat zij beide zijn gestrand in het “overlevingsmechanisme” waarmee ik dit artikel begon. En wanneer dat mechanisme het huwelijksgeluk belichaamt in de levens van paren waar VGV in het geding is, namelijk vrouwelijke trots op een echtgenoot die man genoeg is om zich een weg door haar vastgenaaide vagina te stoten of te snijden, dan zal dat de rechtvaardiging van VGV bestendigen in die streken waar het gebruik heerst.

In onze ongeïnfibuleerde Westerse samenleving wil de ideale man ervoor zorgen dat zijn vrouw het naar haar zin heeft in bed, zeer zeker pijnvrij, terwijl de geïnfibuleerde wereld tot dusver talloze generaties mannen heeft voortgebracht, die idealiter gedwongen zijn hun vrouw verschrikkelijk te laten lijden tussen de lakens, doorregen met kreten, en welzeker niet uit extase.

Een van de verslagen die ik las bevatte vraaggesprekken met echtgenoten van geïnfibuleerde vrouwen: de meerderheid gaf toe er buitenechtelijke relaties op na te houden om aan hun gerief te komen, waarbij ze klaagden over de ‘luiheid” en de “ongevoeligheid” van hun vrouwen tijdens de seks. We moesten die laatste verklaring eens nader bekijken, en daarbij de reden in gedachten nemen waarom kinderen/pre-pubers worden besneden in de eerste plaats: namelijk om er zeker van te zijn dat zij geen seksuele gevoelens ervaren wanneer hun vrouwelijkheid doorbreekt, wat op zijn beurt kuisheid garandeert en overigens is het onbesneden zijn het beste recept om geen man aan de haak te slaan. Je kunt het schrille voorbeeld van slachtofferbeschuldiging niet over het hoofd zien, in deze klassieke Catch 22.
In feite is er hier maar één partij schuldig aan “luiheid” en dat is de man, noem het zijn “cerebrale” gemakzucht. Want terwijl hij donders goed zou kunnen weten dat de ongevoeligheid van zijn vrouw wegens fysieke oorzaken te wijten is aan de wegsnijden van haar uitwendige geslachtsorganen, uitgevoerd om iedere vorm van seksuele opwinding in haar te voorkomen, onderdrukt hij toch deze kennis om de schuld van hun saaie seks bij haar neer te leggen, zoals het hem uitkomt. Tenzij hij en zijn kompanen te stom zijn voor woorden, een mogelijkheid die ik niet uitsluit.

Ik besluit met het licht van de hoop: antwoorden van een vrouw en een man, die spontaan inzicht en begrip aantonen. Gevraagd door een journaliste in een video documentaire over VGV, of ze ooit had overwogen “nee” te zeggen tegen VGV, schudde een dorpsvrouw haar hoofd en zei: “Nee”. De journaliste zette door en vroeg naar de reden. De vrouw dacht even na en zei toen: “Ik denk door gebrek aan scholing en kennis…”
Een Sudanese man (een andere) werd verliefd op een vrouw in Soedan, nam haar mee naar Europa om met haar te trouwen. Zes jaar huwelijk en nog steeds was hij er niet in geslaagd haar te penetreren. Zijn woorden, geciteerd uit dit artikel: “Als ik haar had gedwongen, zou ze hebben geleden. En deze pijn zou haar bijblijven, iedere keer wanneer we seks zouden hebben“.  Zijn vrouw toonde geen begrip voor zijn psychologische inzicht en empathie en weigerde de oplossing aan te grijpen: medische de-infibulatie in een ziekenhuis. In plaats daarvan scheidden ze. Daarna werd hij bespot en te schande gemaakt door zijn schoonfamilie en zijn eigen familie, omdat hij was gezakt voor de mannelijkheid test  (lees “geweigerd” had om gehakt van zijn vrouw te maken).
Welnu, in elk geval is het gebrek aan begrip of misschien beperktheid, gelijkelijk verdeeld over beide seksen.
(Wij klappen voor deze begrijpende man.)

De voorstanders van VGV, zowel mannelijk als vrouwelijk, moeten worden gedeprogrammeerd, zoveel is duidelijk, door planmatige en gestructureerde informatie en scholing, op alle niveaus en in cruciale disciplines: thuis, lagere school, middelbare school, universiteit, gezondheidszorg, paramedische opleidingsscholen enzovoort en zo verder, om dit gruwelijke gebruik met wortel en tak uit te roeien en het gat op te vullen met kennis, begrip en inzicht en .

Nog één vraag: welke halve gare, zo’n drieduizend jaar geleden, heeft dit krankzinnige idee uitgedacht?

 

Photo: Pixabay

FGM: Cut it Out

To the reader: basic knowledge of female genital mutilation is required to be able to fully take in the article below which zooms in on some, mainly, mental, aspects.

Reading and reading and reading every serious scrap of documentation I can lay my hands on dealing with FGM, the ritual, the consequences, physically and emotionally, for the woman, for the man, for the both of them joined in marriage. Notably that last part of the issue is not commonly included in many reports, which focus exclusively on the consequences for the female victims. But in fact there are *two* victims, because while the man may not have to undergo the horrific operations throughout life, he can obviously not avoid the problem, with a sewn up woman underneath him, who he needs to “open”. Note that the circumstances I relate, are based upon interviews with infibulated women and men married to victims of the practice.

In a situation, where the female half of a couple has undergone FGM of the third type, namely infibulation, the *coping mechanism* itself, namely to handle the inaccessibility of the woman’s body, becomes the focus of marital bliss; if she is to survive emotionally there is nothing for it but to enjoy the satisfaction of being that strong woman who is able to bear the pain of her husband’s penis inserted into a hole with a circumference no larger than a matchstick, even rejoicing in his, call it, “victory”, accompanied with feelings of pride; he, at his end, may taste the gratification of being manly enough to eventually accomplish this feat, undaunted by the knowledge that his wife must be in pain through his penetration efforts, and end the operation (no pun intended) by climaxing inside her, not rarely after weeks or even  months of trying. Thus he has “proven” his “virility” and “masculinity”.
And so the physical part of their bond as husband and wife, is founded upon pain: the woman as the victim and the man as her torturer.

Or, in the words of a Sudanese man (where the necessary de-infibulation for childbirth is required to be followed by re-infibulation, which in its turn must obviously be followed up by de-infibulation via the husband’s penile penetration…. and again, full de-infibulation for the next birth, and sure enough, re-infibulation and etc., and thus this  cycle of extremely painful procedures repeats itself throughout the woman’s fertile years), but let me not digress, so in the words of a Sudanese man: “You have to be a man to open the lady”. 

About Sudanese man’s quote: note the  simplification that is the result of flabbergasting ignorance  concerning an organism’s reactions to a brutal amputation, destroying essential  tissue. He cannot be that “man” if the cutting away of the clitoris, the minor labia, the major labia and the sewing together of what  is left of the skin at either sides of the vulva, resulted in a flap of thickened skin + scar tissue, because as often as not that flap will defy penile pressure. This is not rocket science. So how *can* he be the “man”? Having a dick  big and hard enough and being sufficiently insensitive to his wife’s cries of pain to stomp through the skin and make it tear? Or, his member not made out of reinforced concrete after all, he’s still “man” enough to walk to the kitchen, get that meat cutter and slash the that tragic remnant of what could have been a perfectly fine pussy? (Yes, that measure is indeed resorted to in real life.)
Then there is a nagging worry at the back of his mind: should he not succeed in opening “the lady” he will be a weakling in the eyes of that very lady, lying there, legs spread and in pain, perhaps bloodied, and, even worse,  his in-laws and his own family will call him a loser Failing will mess up his life.

In other words: you have to be a butcher to open the lady.

From the documentation I went through it became clear that something you could call a “relaxed sex life” between spouses will be completely out of the question in these communities where FGM is the unwritten law; the life long consequences present problems (perhaps also “lifelong” depending upon the duration of their marriage), not only for the mutilated wife, but also for the husband who, literally, needs to handle the situation seeing his position. How can handling a sewn up woman, or for that matter, one who “only” underwent the “sunna” type of FGM, (clitoridectomy, but no infibulation), NOT leave a man emotionally unemancipated? For one thing because they both are left stranded in the *coping mechanism*, with which I started this article. And if that mechanism constitutes the “marital bliss” in the lives of couples where FGM is at play, namely female pride in a husband, man enough to ram or butcher his way into her stitched up vagina, then that will perpetuate the justification of FGM in those areas where the custom prevails.

In our uninfibulated Western society the ideal man will ensure his wife has a good time in bed, most certainly free of pain, whereas the infibulated world has so far brought forth countless generations of men who, ideally, are forced to give their wives a terrible time between the sheets, laced with screams, and most certainly not out of ecstasy.

One of the papers I read included interviews with spouses of infibulated women; the majority confessed to having extramarital relationships for getting off, thereby complaining about their infibulated wives being “lazy” and “unfeeling” to them when having sex. Let us give a closer look at that last statement, while remembering the reason why  female children/pre-teens are forced to undergo cutting in the first place: namely to make sure they will not experience sexual feelings come womanhood, which in its turn guarantees chastity and if they are left uncut, men will not consider them eligible. One cannot overlook the glaring victim blaming in this classic Catch 22.
In fact only *one* party is guilty of “laziness” and that is the man, call it his “cerebral” indolence. For while he could know full well that his wife’s lack of feeling must through physical causes be due to the amputation of her exterior sexual organs, executed to forestall any kind of sexual arousal in her, he yet suppresses this knowledge to, conveniently, lay the blame of their flat sex on her. Unless, he, and his fellow travelers are too stupid for words, a possibility I am not excluding.

I shall conclude with a glimmer of hope: responses from a woman and a man showing spontaneous insight and understanding. Asked by a journalist making a video documentary about FGM, whether she had ever considered saying “no” to FGM a village woman shook her head and said: “No”. The journalist pushed on and asked her about the reason. The woman thought for a moment then said: “I suppose lack of education and knowledge…”.
A Sudanese man (a different one), fell in love with a woman in Sudan, took her to Europe to marry. Six years of marriage and he still had not succeeded in penetrating her. His words, quoting from the article If I forced myself on her, she would have suffered. And this pain would be in her mind every time we had sex”.”His wife showed no comprehension of his psychological  insight and empathy and refused to go for the solution: medical defibulation. Instead they divorced. Thereafter he was exposed to the ridicule and shaming from his in-laws, for his failure in passing the masculinity test (read refusing to make mince meat of his wife).
Well, at least the lack of understanding or perhaps limitation, seems equally divided over both sexes.
(We applaud this understanding man.)

The  supporters of FGM, both male and female, need to be deprogrammed, that much is clear, through planned and structured  information and education, at all levels and in crucial disciplines: home, primary school, secondary school, university, health care, paramedical training schools, and so on and so forth, to destroy this gruesome practice root and branch and fill the gap with knowledge, understanding and insight.

Just one more question: what moron, some three thousand years ago, thought out this insane idea???

 

Amsterdam, zaterdag-Saturday 25-07-20

Eert uw Moeder?

Mabel Amber
Jul 22 · 2 min read
Citaat van: “Sahih al-Bukhari 4971, Hadith 2 — Vol. 8, Boek 73, Hadith 2

Al-Bukhair (5971) en Moslim (2548) vertelde dat – Abu Hurayrah (moge Allaah tevreden met hem zijn) zei: Een man kwam tot de boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah rusten op hem) en zei: “O Boodschapper van Allaah, wie verdient mijn goede gezelschap het meest?” Hij zei: “Uw moeder”. Hij zei: “En wie daarna?” Hij zei: “Uw moeder”. Hij zei: “En wie daarna?” Hij zei: “Uw moeder”. Hij zei: “En daarna?” Hij zei: “Daarna uw vader”.”

Recentelijk was ik er getuige van dat een moslim gezin, vader, moeder en hun kleine zoontje vijf jaar oude zoontje , zich naar de gezinsauto geparkeerd op het parkeerplein, begaf om een eindje te gaan rijden. De vader opende de deur aan de bestuurders zijde, de moeder opende het portier van de bijrijders-zitplaats, om dan, in één beweging het portier van de achterbank te openen voor de kleine jongen. Laatstgenoemde sprong om zijn moeder heen en probeerde haar weg te duwen van het voorportier en zei, luid en duidelijk: “Jij gaat achterin, ik ga voorin zitten, naast mijn vader”.

Noch de moeder, noch de vader berispten hun kleine vijfjarige snotneus om zijn moeder te trakteren op zo’n ongehoorde brutaliteit, integendeel, het werd erger:  zeer gedwee nam de vrouw plaats op de achterbank terwijl de snotneus zelf voorin ging zitten en dat was dat.
Mogelijkerwijs heeft de vader van de vader van het kleine jongetje (en zijn vader voor hem enz.) zijn zoon niet geleerd dat zijn moeder zijn gezelschap geheel waardig was en zo lijdt de vader van het kleine jongetje aan het verkeerde denkbeeld (ja “lijdt” want een man die de waarde van een vrouw ontkent, ontkent zijn eigen waarde), en reeds is dit slechte zaad ontkiemd in de geest van het kleine jongetje en niets kan het wortel schieten nog tegenhouden, zodat de kwalijke reuk wordt verspreid overal waar deze vijfjarige onderdrukker gaat en staat.

Het is duidelijk dat niet alle mannelijke moslims de hadith die ik citeerde aanhangen, misschien een groter aantal dan je zou willen weten. Men vraagt zich af voor wie deze richtlijnen voor goed gedrag werden geschreven – maar men hoeft zich niets af te vragen omtrent de oorzaak van de vrouwenonderdrukking in Moslimland: totdat de mannelijke helft van de wereldwijde islamitische bevolking heeft geleerd zich te houden aan het citaat bovenaan dit artikel en om hun nakomelingen, zowel mannelijk als vrouwelijk, te leren hun moeder te eren en haar op nederig te vragen: “Mama, mag ik alsjeblieft voorin zitten naast papa?” zal vrouwenemancipatie in die gebieden niets meer zijn dan een item op de agenda van het grote aantal organisaties voor mensen- en vrouwenrechten die de wereld op dit moment kent.

Honor thy Mother ?

Mabel Amber
Jul 22 · 2 min read
Quote from: Sahih al-Bukhari 5971- Book 78, Hadith 2 — Vol. 8, Book 73, Hadith 2

“Al-Bukhaari (5971) and Muslim (2548) narrated that – Abu Hurayrah (may Allaah be pleased with him) said: A man came to the Messenger of Allaah (peace and blessings of Allaah be upon him) and said: “O Messenger of Allaah, who is most deserving of my good company?” He said: “Your mother.” He said: “Then who?” He said: “Your mother.” He said: “Then who?” He said: “Your mother.” He said: “Then who?” He said: “Then your father.” “

Recently I witnessed a muslim family, father, mother and their little son of only five years old, walk up to the family car parked in the parking lot to go for a drive. The father opened the door on the driver’s side, the mother opened the door at the front seat on the other side, to then, in one movement, open the door to the back seat for the little boy. Next thing, the latter darted around his mother and attempted to push her away from the front door, saying loud and clear: “You go sit in the back, I will sit in the front, right beside my father.”

Neither the mother nor the father chastised their little five year old brat for treating his mother to this unheard of rudeness, on the contrary, it got worse: in a quite docile way the woman seated herself in the back while the brat sat himself down in the front seat and that was that.
Possibly the father of the father of the little boy (and his father before him etc.) had not taught his son that his mother was perfectly worthy of his company, and thus the father of the little boy suffers from the wrong thought too (yes “suffers”, for a man who denies the worthiness of a woman his own worth) and already this bad seed has germinated in the mind of the little boy and nothing can stop it from firmly shooting root, and spreading its foul smell everywhere this five year old suppressor treads.

Obviously not all male muslims adhere to the hadith I quoted above, maybe a larger number than you would care to know. One may wonder for whom these directions for good behaviour have been written — but one need not wonder about the cause of female oppression in Muslim Land: until the male half of the global islamic population has learned to abide by the quote atop this article and to teach their offspring, both male and female, to honor their mother and in a meek way ask her: “Mama, may I please sit in the front seat next to daddy?”, female emancipation in those regions will be no more than an item on the agenda of the myriad of human and women’s rights organizations the world knows now.

Amen

 

Amsterdam, donderdag-Thursday 23-07-20

Intelligentie & Naïviteit Inc.

Mabel Amber

Het is eerder gebeurd, grote geesten die hun uitvinding lanceerden, welke vervolgens werd gebruikt op wijzen die ze niet onderschreven.

Hier is zo’n geval: Tim Berners-Lee, de uitvinder van het Internet schijnt een en ander te “betreuren”.

Gedurende een interview vulde hij een bladzijde van een aantekeningenboekje met een soort grafiek, wat duidelijk aantoonde hoe het Internet een weerspiegeling was geworden van, citaat: “wereldwijde ongelijkheid”, geregeerd door punt.com godheden die naar zijn mening, duidelijk niet het concept van “de macht aan het volk” dienden.

Nu was het zo dat hij, te midden van de hoeveelheid slashes, strepen en stippels op het aantekeningenblad, één vierkant blanco had gelaten en dat dan wilde Berners-Lee toewijzen aan…  aan wie eigenlijk? Zijn woorden: “Het doel is om dat vierkant in te vullen. Om het in te vullen zodat de gehele mensheid de totale macht bezit op het Web“.

Ik kan niet anders dan concluderen dat de naïviteit van de heer Berners-Lee niet is ingevuld, en wat ook nooit ingevuld zal worden, met tenminste elementaire kennis van de menselijke natuur en hoe de dingen onvermijdelijk zullen uitpakken op deze planeet. Afgezien van het feit dat “totale macht ” niet kan worden gedeeld, een prachtig voorbeeld van een contradictio in terminis.

Dus in dit geval is het “Inc.” in de titel van mijn artikel geheel terecht.

PS – Zijn woorden kunnen worden aangewend om een uitspraak te ontkrachten (zij het omgekeerd), vaak gedaan door de wiskundige duizendkunstenaars onder ons die, om de een of andere reden, geloven dat het niet mogelijk is voor de sukkels in wiskunde om een hoog IQ te hebben. Ja ja, ik weet het, we moeten naïviteit niet op een lijn stellen met intelligentie, maar weet u, ik heb het over het soort grenzeloze naïviteit die je gerust domheid kunt noemen.

Relevant interview

ENGLISH

Intelligence & Naiveness Inc.

It has happened before, great minds launching their invention which subsequently was used in ways they did not endorse.

Here is one such case: Tim Berners-Lee, the inventor of the Internet seems to have his “regrets”.

During an interview he covered a notebook page with some sort of graph,  showing how the Internet had become a reflection of, quote: “global inequality” , ruled by dot com deities who clearly, to his mind, did not at all serve the “power to the people” concept.

Now in the midst of the mass of slashes, lines and dots on the notebook page, one square had been left blank, and that then Berners-Lee would want to assign to… well to whom exactly? His words: “The goal is to fill in that square. To fill it up so all of humanity has total power on the Web.”

I cannot but conclude that Mr. Berners-Lee’s naiveness has not been, nor ever will be, filled in with at least basic knowledge of human nature and how things will inevitably work out on this planet. Apart from the fact that “total power” is not something which can be shared, therefore a lovely example of a contradictio in terminis.

Thus here the “Inc.” in the title of the article is fully justified.

PS — His words may serve to disprove a statement (be it inversely), which is often delivered by the math wizards among us, who, due to some reason, believe it is not possible for those who struggle with math, to have a high IQ. Yes yes, I know, we must not equate naivety with intelligence, but you know, I am referring to the kind of boundless naivety that’s just being dumb.

Relevant interview

Amsterdam, woensdag-Wednesday 15-07-2020

Van Mooi tot Pervers

Dezer dagen maak ik een inhaalslag om eindelijk alle films te bekijken die ik destijds heb gemist, toen ze werden uitgebracht. Dit zou kunnen betekenen dat ik nog in leven moet zijn en bovendien in een geestelijke staat verkeer om mij de film langer dan drie minuten te kunnen herinneren, wanneer de tijd de films van vandaag zo’n dertig jaar achter zich heeft gelaten.
Maat laat ik niet afdwalen, op woensdag ging ik naar een oude en naar wordt beweerd romantische Franse film in een filmhuis en de volgende dag keek ik naar een oude en naar wordt beweerd “smerige” Italiaanse film in mijn huis op een laptop.
(Voor ik verderga, ik ben dol op films kijken, mezelf verliezen in iets wat niets met mijn dagelijks realiteit te maken heeft is op zichzelf al een magische ervaring, aldus zal de kwaliteit van de film nooit de bepalende factor zijn wanneer het aankomt op de kwaliteit van die twee uur van mijn leven die ik besteed aan iemand’s poging mij een een-dimensionale niet-werkelijkheid te bieden.)

Om met ‘mooi’ te beginnen: “Un Homme et Une Fenme” van Claude Lelouche, 1966, met Jean Louis Trintignant als Jean Duroc, een coureur en Anouk Aimée als Anne Gaulthier, een scriptgirl. De twee protagonisten ontmoeten elkaar aan de kostschool waar hun kinderen verblijven, en van het een komt het ander en zo drijven ze elkaars, mooie, relatie binnen.
Echt, het is een heel mooie film, niets geen lelijkheid, prachtige cinematografie, afwisselend realistische kleuren en sepia (om een of andere onverklaarde reden maar het doet het goed), en prachtig licht en gladde, slanke, elegante muziek, voor zover je muziek “slank en elegant” kunt noemen. We vernemen van de dood van hun beider echtgenoten via terugblikken, die, niet zoals in vele films, verwarring veroorzaken (o ja, dat is de vloek van mijn filmkijkerij, die willekeurige terugblikken, en dan moet je de boel maar aan elkaar zien te puzzelen, en zo is je aandacht niet bij de voortgaande actie op het doek en op het laatst is alles zo duidelijk als modder).
Onder deze onmiddellijke schoonheid, blijft alles vaag, de acteurs, de dialogen, de karakters, het verhaal en de emoties – het enige vertoon van gevoelens is  het moment waarop Durocs vrouw niet met de spanning van het wachten kan omgaan, totdat de medische uitslag bekend is, nadat Duroc zich te pletter heeft gereden, en  zelfmoord pleegt. Deze hele scene, de radeloze vrouw die rondhangt in de ziekenhuisgang en achter de brancard aan holt wanneer het medisch personeel hem de operatiekamer uitrolt, om zichzelf dan, in een opwelling te doden, is zo slecht gedaan dat haar wanhoop simpelweg verdrinkt in haar slechte spel.
Ergerlijk stukje: Anne stelt ons in een serie terugblikken voor aan wijlen haar echtgenoot (een stuntman, omgekomen bij een ongeluk op de set) – ze beweert dat hij de meest fantastische vent is, begenadigd met zoveel bijzondere eigenschappen, hij is vast en zeker een hoger wezen – een tenenkrommend, uitgesponnen gedeelte toont hem wanneer hij zijn scenes speelt, sommige alleen, sommige met Anne, en daarbij zingt hij voortdurend een Braziliaanse Samba, continu, narcistisch, in zichzelf verzonken, Anne volkomen negerend. Genoeg om een grondige afkeer van de gast te krijgen, alhoewel Anne net zo verdiept is in hem als hijzelf.
Nog een scene met een hoge irritatiefactor: Jean en Anne in een restaurant, samen met hun kinderen, waar de liefdesverklaring van de kleine jongen tegen het kleine meisje een weerklank lijkt te zijn van Jean’s, vooralsnog, stille liefde voor Anne. Doorzichtig en nogal amateuristisch en weer: veel te lang.
Derde ergerlijke scene: Anne en Jean zijn eindelijk samen in een hotelbed terechtgekomen, ze heeft het duidelijk ergens moeilijk mee, haar gezicht weerspiegelt helemaal niet de extase die je zou verwachten van een vrouw in de greep van het liefdesspel, integendeel, het is vertrokken en ze fronst. Alsof er lange minuten voor nodig zijn voordat een man weet dat er iets niet in orde is, trakteert de camera ons op Anne’s mistroostige gezicht dat boven Jeans naakte schouders uitkomt, steeds weer en weer en weer totdat tenslotte deze langdradige anti-betovering wordt verbroken en hij de geladen vraag stelt: “Waarom niet?” waarop zij natuurlijk het voorspelbare antwoord levert: “Vanwege mijn man”, die kennelijk nog leeft in haar hart. We begrijpen het.

Ze verlaten het hotel, bestemming Parijs, hij in zijn auto, zij met de trein. In de auto, zijn gezicht wazig achter de ruitenwissers, denk hij hardop, en besluit zijn innerlijke monoloog met die platitude, alleen toegestaan in sitcoms: “Ik begrijp vrouwen niet…”, verwijzend naar haar liefdesverklaring in haar telegram naar Monte Carlo, waar hij de finish van de rally had gehaald.
Het eind van de film is puur snoepgoed: onze held, die moet geweten hebben dat de aanhouder wint, rijdt naar het treinstation in Parijs, en verrast Anne op het perron – ze staan daar even tegenover elkaar. Wat volgt is de onvermijdelijke omhelzing en tevens eind van de film.
Goed, mooie film, alleszins het bekijken waard, we vergeven Lelouche de eentonige stukken, en natuurlijk klappen we voor de kristalheldere flashbacks!
Trouwens, misschien ligt het aan mij, maar de film is niet ‘gedateerd’  (afgezien van de evidente details zoals ouderwetse telefoons en automodellen, die er niet werkelijk toe doen, je kunt ze makkelijk vervangen met de tegenwoordige technologie, het gaat om de communicatie, niet om de aard van het medium).

En nu dan het “pervers” in de titel: “The Night Porter” van  Liliana Cavani, 1974, in de hoofdrollen Dirk Bogarde als de voormalige SS officier Max Aldorfer en Charlotte Rampling als Lucia Atherton, een Holocaust overlevende.
In de lobby  van een Weens hotel kruisen de wegen van beide protagonisten elkaar voor de tweede keer: hij in zijn hoedanigheid van nachtportier en zij als een gast die haar man vergezelt, een orkest dirigent, wiens orkest een uitvoering geeft in Wenen. De eerste keer was in een concentratiekamp waar Max er plezier in schiep om uitgekozen gevangenen te filmen, Lucia is daar een van.

Het begin lijkt onschuldig genoeg, en ook verwarrend, wanneer  de regisseur ons laat uitzoeken waarom Max uithangt met een groepje oudere mannen, die betrokken zijn bij een of andere psychologische “reiniging” en tevens zijn zij uit op het wissen van sporen uit hun verleden. Het blijkt dat ze alle voormalige Nazis zijn, die zich voorbereiden op het houden van een gesimuleerde rechtszaak zogenaamd om in het reine met hun geweten te komen en mogelijke getuigen van hun misdaden laten verdwijnen. Dit subplot mist iedere geloofwaardigheid en dat zou de reden kunnen vormen waarom Bogarde’s acteerprestaties in scènes waar de groep samenkomt zo gammel zijn. Ik denk niet dat ik mijn hart zou kunnen geven aan dialogen die nergens op slaan, omdat ze ontspruiten aan een onwaarschijnlijk scenario.

Op de helft van de film ontmoeten Lucia en Max ontmoeten elkaar eindelijk alleen in haar hotelkamer, en wat is het een gewelddadige reünie: woedend op het lot, dat haar duidelijk naar de plek heeft geleid waar hij zijn leven wil uitleven als een “kerkmuis”, slaat hij haar keer op keer en sluit hen samen in; schreeuwend vallen ze op de vloer, waar het gevecht verandert in liefdesspel. (Ik bespeur hier een plotgat, de herrie die ze maakten zou wel zeker de aandacht van de hotelgasten hebben getrokken in aangrenzende kamers, maar niemand verschijnt op de gang.)
In de eerste helft zijn we al bekend geraakt met hun sadomasochistische concentratiekamp relatie via hun respectievelijke flashbacks en op dat punt in de film hoorde ik mezelf fluisteren: “O man, wat is dit een angstaanjagende film…” wanneer taferelen vol perversiteit over het scherm rolden, een kapo die een vrouwelijke gevangene van achteren neemt in een schaars verlichte barak, uitgehongerde gedetineerden gekleed in de gestreepte gevangenistenue kijken toe vanuit hun bedden, of Max die zijn pistool op een naakte Lucia richt in een verlaten doucheruimte, haar net missend, waarna ze van standplaats wisselt en het spel wordt voortgezet.

Voor ik verder ga zie ik een hindernis: kennis. Je zou kunnen aannemen dat kennis een goed ding is, en ik ben het daar in het algemeen mee eens, maar het heeft dit nadeel dat je lei niet langer onbeschreven is. Dus op dat punt in de film, het begin van de tweede helft, drukte ik op de pauzeknop (ik weet eigenlijk niet waarom) en navigeerde terug naar de Wikipedia pagina. Daar viel mijn oog onmiddellijk op het woord “Nazi exploitatie” (het Engelse woord) en dat “The Night Porter” alom wordt beschouwd als een film die deze schoen past; met andere woorden, films die munt slaan uit de wandaden van de Holocaust. Wat te doen? De film verwerpen als een verachtelijk en onfatsoenlijk voorbeeld van een afkeurenswaardig genre, gemaakt door een regisseur die expliciet  mikte op een publiek dat kwijlt bij Naziverdorvenheid, Nazizonde, Naziperversies en Nazigruwelen? Zo scheen het lot van de film bezegeld: het gaat om Nazis en seks en bijgevolg wordt hij bij voorbaat bestempeld als moreel onacceptabel. Boem.

Wat zou Cavani hebben moeten doen om ervan verzekerd te zijn dat haar inspanning zou worden beloond met algemene bijval? Het thema houden, maso-meisje ontmoet sado-knul, maar de Nazis schrappen?
Als ik eerlijk moet zijn, voordat ik bekend was geraakt met de verketterde categorisatie (ik had al een korte samenvatting gelezen op IMDb) was het niet bij me opgekomen om bezwaar te maken tegen het Nazithema, wat mij een geldige inspiratiebron toescheen. Maar goed, het geviel dat ik de videoknop op “pauze” liet staan en een aardig aantal artikelen doornam over de Nazificatie van de cinema, de kunst en de mode in de jaren zeventig, toepasselijk genaamd “Nazi chic’.
Dus nu heb ik mijn onschuld verloren. (De gedachte dat ik gedurende dat gehele bewogen decennium onder een steen moet hebben geleefd is verpletterend (woordspeling geheel onbedoeld))

Terug naar de film en hoe ik mijn mening en gevoelens vorm moet geven, nu ik rond dwaal in het labyrint genaamd “informatiestress”. Wanneer ik de uitgang niet kan vinden, kan ik dan tenminste de weg terug vinden naar waar ik tegen mezelf fluisterde “O, wat is dit een angstaanjagende film…” ? Want als ik daar eenmaal ben, zullen de muren van het labyrint krimpen tot kniehoogte en zal ik er moeiteloos overheen kunnen springen, naar de vrijheid. Ja, ik kan teruggaan naar waar ik was, het geheugen is iets geweldigs en hier ben ik, bevrijd van de benauwende “datasmog”, om uitdrukking te geven aan mijn eigen geest.

Ik geloof dat Cavani’s bedoeling oprecht was, te oordelen naar haar interviews met vrouwelijke gedetineerden van Dachau, zoals ze vertelde in een video, stilstaand bij sommige aspecten van de film. Je zult je niet de moeite getroosten je in te leven in de gevoelens van Holocaust overlevenden, teneinde erachter te komen hoe ze leerden omgaan met dat gedeelte van hun verleden als het je alleen maar te doen was om een paar rollen celluloid te vullen met  mannen en vrouwen gekleed in uniformen en gevangeniskleding die zich overgeven aan martelingen en bizarre seks. Dat ze juist in de jaren zeventig op het idee kwam voor haar film was misschien niet anders dan toeval, en van daaruit het een kleine stap om er het etiket “Nazi exploitatie” op te plakken. Ik meen dat het etiket zeer onverdiend is,  “The Night Porter’ is een film die serieus moet worden genomen, in plaats van hem in een zak te stoppen waar hij niet in hoort.
**Later toegevoegd**: Inmiddels, na het zien van enkele films die inderdaad het Nazi-thema uitbuiten, blijkt dat mijn oordeel juist was – dit type film heeft niets anders om het lijf dan walgelijke aaneenrijgingen van monsterlijke martelingen en wreedheden, dat alles overgoten met veel bloed. Daar is geen psychologie, daar is geen inhoud.
Trouwens, afgezien van die evidente pogingen om een publiek te trekken dat belust is op de goedkope sensatie van Nazis die weerzinwekkende (seksuele) misdrijven in naargeestige omgevingen plegen, moeten we de Holocaust eigenlijk wel onder een glazen stolp plaatsen, “niet aanraken”, uit piëteit voor de slachtoffers en overlevenden? Het is maar een vraag.

Zeker, eerst vond ik de film “angstaanjagend” en nu, het bekijken achter mij, zal het ‘t predicaat “goede film” verdienen. Voor mij omschrijft het verhaal het onvermogen van twee menen om zichzelf los te maken van een verleden dat op de een of andere manier in hun ziel werd geëtst en wanneer zich een onverwachte kans voordoet om dit verleden opnieuw te beleven zijn ze niet in staat zich tegen de drang te verzetten die kans aan te grijpen. Dat, samen met andere elementen waar ik hier niet bij zal stilstaan, maakten van de film een waardevolle persoonlijke beleving. Het acteerwerk is verbluffend. Opmerkelijk: in de video verduidelijkte Liliana Cavani, haar standpunten omtrent de verschillen tussen het Amerikaanse en Europese publiek van die jaren, citaat: “De voorpagina en twee binnenpagina’s van de New York Times stonden vol artikelen tegen de film. Ze stelden allemaal de vraag:Wat is dit voor iets? Deze film is immoreel!” Echt waar, in die tijd, ondanks de X-beoordeling, haalde de film 15 miljoen dollar binnen. Omdat hun cultuur geen woorden kende die de film juist konden beschrijven. De woorden kun je vinden in boeken maar de algemene uitdrukkingen voor aanvaarding en verwerping bestaan daar niet. Er zijn alleen ontoepasselijke adjectieven die afbreuk doen aan de film wanneer je die bekritiseerd, dus voor ons was het publiek beperkt (…) Het was duidelijk dat ze er een probleem mee hadden. Het gaat om doorsnee mensen die onderontwikkeld zijn op het punt van begrip voor de boodschappen of moraliteit die een film probeert over te brengen. Het Europese publiek van The Night Porter bevond zich op een hoger niveau. Het was er meer klaar voor en hoger ontwikkeld dan het publiek in de Verenigde Staten.”

Dan maakt ze deze kanttekening, hoe zijzelf, de acteurs en de filmploeg “verbijsterd” waren toen de film een enorm succes bleek, zeggende: “Omdat de film zo uniek was en van zo’n grote complexiteit“. Ze verhaalt hoe de pers Rampling bombardeerde met vragen over sadomasochisme,”over al die onderwerpen“, die in de ogen van de regisseur en acteurs niets te maken hadden met de film, citaat: “In Godsnaam, het gaat erover dat hij een slechte Nazi is en zij een slachtoffer“.

Met andere woorden, Cavani beschouwde de Amerikanen als barbaren met weinig of geen begrip voor de subtiele, diepere werkingen van de menselijke geest, blijven steken in een of ander populair Freudiaanse stijlfiguur die ze op een werk plakten om de geringste oneigenlijke reden. Mijn schatting is dat het werk zijn populariteit in de VS dankte aan uitgerekend het sadomasochistische element, een dankbaar lokkertje voor het “verkeerde” publiek vanuit Cavani’s standpunt. En hier kom Cavani’s naïviteit om de hoek kijken, omdat ze kennelijk niet inschatte hoe een “doorsnee” publiek zou reageren op seks, wreedheid en geweld: namelijk als voer om de honger naar “goedkope sensatie” mezelf citerend, te bevredigen.
En hier ook ben ik het niet eens met Cavani: dus de film gaat over een “slechte Nazi en zij een slachtoffer“. Ja absoluut! En de “slechte Nazi” betrekt haar bij sadistische spelletjes, je zou blind moeten zijn als je dat niet ziet gebeuren, de gehele film door. Om de simpele reden dat slechte Nazis… sadistisch waren. En nodeloos te zeggen dat Lucia maar één ding kon doen binnen de gegeven omstandigheden: zich onderwerpen zoals een masochist dat doet.
Maar misschien trok Cavani zich terug in een ontkenningsmentaliteit, geschokt hoe de “slechtheid” van Max geïnterpreteerd werd door de wereld, ofwel doorsnee ofwel daarboven.

Sommige recensies gewaagden van “historische onjuistheden” – als dat waar is dan foei! Cavani, controleer eerst je feiten voor je zelfs maar een camera aanraakt.

Nog even dit, voor ik ga: hoe zat het met de kat van Max die we helemaal niet meer hebben gezien? Verhongerd, net als de twee opgesloten geliefden, die geen voedsel konden krijgen? Of hebben ze…?

ENGLISH

 

Mabel Amber

Jul 11 · 10 min read

From Pretty to Perverse

These days I am finally catching up, watching all the films that I missed out on back in the days they were released. This may mean that I will need to be alive and in a mental state to actually remember the film for longer than three minutes, when time has outstripped today’s films by some thirty years.

But let me not digress, on Wednesday I went to an old and allegedly romantic French film in a movie house and the next day I watched an old and allegedly “nasty” Italian film in my house on a laptop.
(Before I continue: I love watching movies, losing myself in something which has nothing to do with my daily reality is in itself a magical experience, thus the quality of the movie will never be the determining factor when it comes to the quality of those two hours of my life which I spend on someone’s effort to offer me a one dimensional non-reality.)

So let’s take the “pretty” first: “Un homme et une femme” from Claude Lelouche, 1966, with Jean Louis Trintignant as Jean Duroc, a racing driver and Anouk Aimée as Anne Gaulthier, a script girl. The two protagonists meet at the boarding school where their children reside, and from the one thing comes the other and thus they drift into their, pretty, relationship.

Really, it is a very pretty film, no ugliness at all, beautiful cinematography, alternating between realistic colors and sepia (for some unexplained reason, but it works well), and beautiful light and smooth, svelte music, if you can call music “slender and elegant”. We learn of the deaths of their spouses through flashbacks, which, unlike in so many films, are not confusing (oh yes, the bane of my movie watching, those random flashbacks, leaving you to figure them out, thus your attention is not with the ongoing film on the screen and in the end the whole thing is as clear as mud).
Underneath this immediate prettiness all else remains vague, the actors, the dialogues, the characters, the story, and the emotions— the only strong display of feelings is when Duroc’s wife cannot deal with the tension of having to wait for the medical verdict, after the latter crashed in a race, and commits suicide. This whole scene, the distraught wife hanging around in the hospital corridor, running after the stretcher as the medics roll it out of the operating room, to then, in a sudden impulse rushing to kill herself, is so poorly done that her despair simply drowns in her bad acting.
Annoying stretch: Anne introducing us in a series of flashbacks to her late husband (a stuntman, killed in a set accident) — she claims he is the most wonderful guy, endowed with so many special qualities, he must be a higher being — a cringe worthy drawn out scene, shows him making appearances, some alone, some together with Anne, constantly singing a Brazilian Samba, unstoppable, narcissistic, self-immersed, ignoring Anne altogether. Enough to dislike the guy intensely, although Anne is just as immersed in him as he himself.

Another scene with a high annoyance factor: Jean and Anne in a restaurant, together with their kids, where the little boy’s declaration of love for the little girl seems to echo Jean’s as yet, silent love for Anne. Transparent and somewhat amateurish, and again, far too long.
Third annoying scene: Anne and Jean finally having made it into a hotel bed together, she is clearly having a problem, her face does not at all express the ecstasy you would expect from a woman in the throes of love making, on the contrary, it is twisted and her brow puckered. As if it would need long minutes for a man to know something is amiss, the camera treats us to Anne’s glum face surfacing above Jean’s naked shoulders from all sides, and again, and again, until ultimately this tedious anti-spell is broken and he poses the laden question: “Why not?” to which of course she provides the predictable answer: “Because of my husband”, who, apparently is still alive in her heart. We understand.

They leave the hotel, bound for Paris, he in his car, she by train. In the car, his face blurred behind the windshield wipers, he thinks out loud, concluding his internal monologue with that platitude, only permissible in sitcoms: “I don’t understand women…” referring to her declaration of love in her telegram to Monte Carlo where he had finished in the rally.
The film’s ending is pure candy: our hero, who must have known that perseverance pays off, drives to the Paris train station, surprising her on the quay — they stand for a moment facing each other – what follows is the inevitable embrace and too the end of the film.
Okay, pretty movie, well worth watching, we forgive Lelouche the monotonous  scenes, and of course we clap for the crystal clear flashbacks!
By the way, maybe it’s just me, but the film is not “outdated” (apart from obvious details like vintage phones and car models, which don’t really matter, you can easily replace those with present day technology, it’s the communication that matters, not the make of the medium).

And now, for the “perverse” in the title: “The Night Porter”, from Liliana Cavani, 1974, starring Dirk Bogarde as the former SS officer Max Aldorfer and Charlotte Rampling as Lucia Atherton, a holocaust survivor.
In the lobby of a hotel in Vienna  the paths of the protagonists cross for the second time: he is there in his capacity of the night porter and she as a guest accompanying her husband, an orchestra conductor, whose orchestra is performing in Vienna. The first time was in a concentration camp, where Max enjoyed filming inmates of his choice, Lucia being one of them.

The beginning seems harmless enough, as well as confusing, where the director leaves us to figure out why Max hangs out with a group of older men, who are involved in some sort of psychological “cleansing” besides bent on wiping traces of their past. Turns out they are all former Nazis, preparing to organize a mock trial, supposedly for clearing their consciences and “filing out” possible witnesses of their crimes. This subplot lacks any credibility and that might be the reason Bogarde’s acting in scenes where the group meets is shaky. I don’t think I could put my heart into dialogues which don’t make sense, because they originate from an unlikely scenario.

Lucia and Max finally encounter each other alone in her hotel room nearing the second half of the film and a violent reunion it is; angry with fate, obviously having sent her to the place where he wishes to live out his life like a “church mouse”; he strikes her repeatedly and locks her in together with him, shouting they fall to the floor where the fight changes into love making. (I detect a plot hole here, the ruckus they made would have surely alerted the guests in neighboring rooms, but no one appears in the corridor).
In the first half we had already become familiar with their sado-masochistic concentration camp relationship through their respective flashbacks, and at that point in the film I could hear myself whispering: “Oh man, what a fearful movie this is…”, as scenes laden with perversity rolled across the screen, a kapo sodomizing a female prisoner in a dimly lit barrack, half starved inmates dressed in the striped prisoner’s getup looking on from their beds, or Max aiming his pistol at a naked Lucia in a deserted shower room, missing her by inches, after which she shifts position and the game is continued.

Now, before I continue, I spot a snag: knowledge. You might assume that knowledge is a good thing, and I generally agree with that, however, it has this drawback that your slate is no longer blank. So at that point in the film, the beginning of the second half, I hit the pause control (don’t really know why) and navigated to its Wikipedia page. There my eye immediately fell upon the word “Nazisploitation” and that “The Night Porter” is “widely considered” as fitting the glove; in other words, films capitalizing on the atrocities committed during the Holocaust. What to do? Denounce the film as a despicable and indecent example of a condemnable genre, created by a director who explicitly (no pun intended) aimed at an audience that typically drools over Nazi vice, Nazi sin, Nazi perversions and Nazi horrors? Thus the film’s fate seemed to be sealed: involving Nazis and sex and by consequence stamped in advance as morally unsound. Boom.

What should Cavani have done to ensure her effort met with general acclaim? Keep the theme, maso girl meets sado guy but chuck the Nazi bit?
In all honesty, before becoming familiar with the decried categorization, (already I had read a skimpy excerpt on IMDb) it had not occurred to me to object to the Nazi theme, which seemed a valid source of inspiration. Anyway, it came to pass, leaving the video control on “pause” that I worked my way through quite a few articles dealing with the Nazification of the cinema, art and fashion in the seventies, aptly called: “Nazi chic”.
So now I’ve lost my innocence. (The thought that all through that eventful decade I must have been living under a stone is shattering.)

Back to the film… and how to shape my opinion and feelings, now that I am wandering around in the maze called “information overload”. If I cannot find the way out, can I at least still find my way back, to where I whispered to myself “Oh, what a fearful movie this is…”? Because once there, the walls of the maze will shrink till they reach to my knees and I shall effortlessly skip over them into freedom. Yes, I can retrace my steps, memory is a wonderful thing, and here I am liberated from the oppressing “infoxication”, and I can speak my own mind.

I believe Cavani’s intention was sincere, judging from her interviews with female former inmates of Dachau, as she mentioned in a video, dwelling on some aspects of the film. You won’t go to the trouble of empathizing with Holocaust survivors, to figure out how they learned to cope with that section of their past, if all you wanted was to fill a couple of rolls of celluloid with men and women dressed up in uniforms and prison garb engaging in torture and kinky sex. It might have been just happenstance that she hit upon the idea for the film precisely in the seventies, and from there  a small step to label it “Nazisploitation”. And I believe that label is highly undeserved. “The Night Porter” is a film to be taken seriously, instead of thrown into a bag where it does not belong.
**Update**: Meanwhile after watching some films that actually DO exploit the Nazi theme I know that I was right – those are no more than disgusting, strung together scenes of monstrous torture, cruelties and all of that amply doused with blood. There is no psychology there, no content.
For that matter, apart from obvious attempts to draw an audience lusting after cheap thrills of Nazis committing sickening (sex) crimes in bleak settings, should we put the holocaust under a bell jar, “do not touch” out of piety for the victims and survivors? Just a question.

 Indeed, initially I found the film “fearful”, and now, the viewing behind me, it will deserve the predicate “good movie”. For me the story illustrates the incapacity of two people to separate themselves from a piece of their past which somehow became etched into their souls and when an unexpected opportunity presents itself to relive that past they are unable to resist the urge to take it. That and other elements I will not dwell upon here, made the film a valuable personal experience. The acting is amazing. Noteworthy: Liliana Cavani, in her video talk, clarified her views on the difference between the then American and European audiences, quote: “The New York Times had a front page and two inner pages filled with articles against the movie. They were all asking “What is this thing? This movie is immoral!” In fact back then, the movie, in spite of being rated X, made over 15 million dollars. Because their culture had no words that could appropriately describe the film. The words can be found in books but the common expressions for acceptance and rejection don’t exist there. There are only inappropriate adjectives which sound degrading when criticizing this movie so for us those audiences were limited. (…) Obviously they had a problem with it. That is they were average people who tend to be sub-educated when it comes to their way of understanding the messages or morals a movie is trying to convey. The Night Porter’s European audience was on a higher level. They were more prepared and educated than the audiences in the States”.

She then goes on to mention how she and the actors and crew were “dumbfounded” when the movie turned out to be such a huge success, as she says: “Because the film was so unique with great complexity”. She relates how the press bombarded Rampling with questions about sadomasochism, “about all those topics”, which in the eyes of the director and cast had nothing to do with the movie, quote: “For God’s sake, it’s about him being an evil Nazi and she being a victim”.

In other words, Cavani considered the Americans barbarians with little or no understanding of the subtle, deeper workings of the human mind, stuck in some popular Freudian trope which they slapped onto a work at the slightest would-be reason. My guess is that the work owed its popularity in the States precisely to the sadomasochistic element, a grateful tease for the “wrong” audience, from Cavani’s point of view.
Here is where Cavani’s naivety comes in, having evidently not assessed how an “average” audience would react to sex, cruelty and violence: namely as fodder to satisfy the hunger for “cheap thrills”, quoting myself.
And here too is where my disagreement with Cavani enters the picture: so the film is about an “evil Nazi and she being a victim”. Yes, absolutely! And the “evil Nazi” engages in sadistic games with her, you would have to be blind if you cannot see that going on, throughout the film. For the simple reason that evil Nazis were… sadistic. And it goes without saying that the one and only thing Lucia could do within the given circumstances was… submit, as a masochist would do.
But perhaps Cavani withdrew in a denial mindset, shocked at how Max’ “evilness” was interpreted by the world, either average or above.

Some reviews spoke of “historical inaccuracies” — if that is true then fie! Cavani, check your facts before you even touch the camera.

Just this, before I go: what about Max’ cat? Starving, along with the two holed up lovers, unable to procure food? Or did they…. ?

 

Story and photo: ©MabelAmber®

Amsterdam, zondag-Sunday 05-07-20

The Shawshank Redemption: Plotgaten en een Cinematisch Vergrijp

Een paar dagen geleden bekeek ik “The Shawshank Redemption”, speelfilm uit 1994. Bekendheid met de film wordt verondersteld vandaar dat ik geen synopsis bijsluit.

Als ik me deze film OOIT zal herinneren, dan uitsluitend voor de regiefouten, al aangeduid in de titel. Dus laat ik er niet omheen praten en aftrappen met:

Plotgat 1: de hoofdrolspeler, bankier Andy Dufresne, is veroordeeld tot twee keer levenslang in een “strenge” gevangenis – uiteraard halen de gevangenbewaarders de cellen regelmatig overhoop, wat je kunt verwachten in een strenge gevangenis. Waar de film geleidelijk naar het einde begint toe te werken, blijkt dat Andy niet aanwezig is bij het appel. Een legertje gevangenisbewaarders, tezamen met de gevangenisdirecteur spoeden zich derwaarts en bezien Andy’s cel met ongelovige ogen. De getergde en gefrustreerde directeur begint stenen uit Andy’s verzameling naar de muren te werpen, en lost daarbij ongewild het raadsel van de verlaten cel op: een klein steentje gericht op een poster van Raquel Welch verdwijnt achter het papier. De directeur, de ogen wijd opengesperd en met nog meer ongeloof, steekt zijn arm tot aan zijn schouder dwars door de poster, om hem vervolgens van de muur te rukken; in de volgende scene zien we hoofden van directeur, cipier en Andy’s gevangenismaat vanuit de tunnel wanneer ze gedrieën in de vluchtroute staren, die naar de vrijheid van de hoofdrolspeler leidt.

Serieus?
Want op dit punt in de film weten we al dat Andy Dufresne zo’n twintig jaar nodig heeft gehad om die tunnel uit te hakken in de gevangenismuur; nochtans wil regisseur Frank Darabont ons doen geloven dat geen enkele van die overambitieuze, over-agressieve cipiers, maar al te blij wanneer ze een gevangene ergens op kunnen betrappen, hoe onbeduidend ook, noch de directeur zelf, een ongevoelige klootzak, ooit het idee heeft opgevat, gedurende al die twintig jaar, wanneer men de obligate celcontroles  uitvoerde, om eens een kijkje te nemen achter de vele affiches van filmsterren die de muren van Dufresne’s cel  versierden.
(Ironie: nota bene, in het kantoor van de directeur  gaat een muurkluis schuil achter een ingelijst borduurwerk, dus deze gasten zijn duidelijk genoegzaam bekend met dat kunstje, gaten verbergen achter plaatjes…).
Afgezien daarvan: is het mogelijk dat een gevangene gedurende twintig jaar aan een tunnel werkt, die alsmaar langer wordt, wat met zich meebrengt dat je helemaal naar binnen moet kruipen en weer terug en NOOIT wordt betrapt? Nota bene: hakken in steen gaat niet geluidloos en het is algemeen bekend dat je ‘s nachts een speld kunt horen vallen bij de buren. En jawel, koppen tellen gebeurt ook in de nacht, en trouwens, de gevangeniscellen waren uitgerust met stalen traliehekken, dus je kon met een enkele blik de gevangene in zijn bed zien liggen (of eruit, of twee benen die uit een tunnel staken….).
Ja, het is mogelijk. Maar alleen in de geperforeerde verbeelding van Frank Darabon en Stephen King.

Plotgat 1a: nadat wij ons door dit verbijsterende gevolg van onnauwkeurigheid hebben heen gegraven, komen we uit bij het totale mysterie hoe ter wereld Andy er in is geslaagd om Raquel’s afbeelding weer over het gat wist te trekken, eenmaal in de tunnel. Welnu, daarin kan hij niet hebben voorzien want niet mogelijk –  de ontsnappingsscene laat zien hoe hij zichzelf de tunnel in duwt, net breed en hoog genoeg om plaats aan hem te bieden wanneer hij languit ligt, het hoofd naar voren gericht. Dus of hij heeft magie aangewend of anders zal hij de poster terug hebben moeten plaatsen met behulp van benen en voeten (in een Internet forum rond dit bepaalde plotgat werd geopperd dat Andy de poster had opgerold en wanneer het weer omlaag zakte dan zou hij weer vlak tegen de muur hebben gehangen; volgens bezwaren van forumleden zou de poster strak over het gat moeten zijn getrokken zodat de steen erdoorheen zou kunnen gaan, hetgeen uiteraard de “oprol” theorie weerlegt).
Dit is het meest schrille voorbeeld van een plotgat dat ik ooit heb meegemaakt in mijn leven als filmkijker.

Plotgat 2: door heel de film heen hebben de barre omstandigheden, het slechte eten, slaag, de weken en maanden doorgebracht in eenzame afzondering, genoeg om de ziel te breken, het gebrek aan perspectief, de vijandigheid onder de gevangenen onderling, het uiterlijk van Andy en Red (A.’s gevangenismaat) niet aangetast; na twintig (!) jaar ogen hun gezichten nog fris, de haargrenzen zijn niet noemenswaardig teruggetrokken, we zien geen rimpels, hun tanden zijn intact, waarachtig, Andy’s parelwitte glimlach straalt ons tegemoet (nee, ik weiger te geloven dat de gevangenistandarts kronen en facings en goed passende kunsstgebitten zou leveren), beide maten lopen met een rechte rug en hun ogen staan helder (feitelijk, is er niet één personage dat veroudert naarmate de film vordert, de directeuren en de cipiers zijn alle kennelijk gezegend met zelf-verjongende genen…).
Wat betreft hun innerlijke mens: ook daar is alles kits voor onze twee helden. Ik ben er absoluut van overtuigd dat twee decennia leven in een hel meer dan voldoende is  om de laatste emotionele bronnen van het individu uit te putten, maar we zien daar geen bewijs van; de Andy en Red van het einde zijn nog steeds dezelfde Andy en Red uit het begin, afgezien van hun verrijkte filosofische opmerkingen gedurende het luchten. Kijk ze eens met hun rug tegen de muur van het recreatieplein zitten… zien er niet net uit als twee ontspannen gasten, van een bouwproject, die even kletsen tijdens de lunchpauze in een of andere stadsbuurt? Maar misschien moeten we aannemen dat deze twee van ander spul zijn gemaakt dan gewone stervelingen.

Plotgat 3: Andy, in zijn hoedanigheid van de directeurs vertrouweling en boekhouder, die zijn frauduleuze transacties regelt, benut op een bepaald moment een kans om hun schoenen om te wisselen, en zo loopt hij van het directiekantoor naar zijn cel, in het paar van laatstgenoemde, zwart en glimmend als spiegels. Niemand gaat mij mij vertellen dat dit onopgemerkt zou blijven. De verteller (Red) verklaart het tegenovergestelde: “Serieus, hoe vaak kijk je nou echt naar een man z’n schoenen?”
Terwijl je misschien niet bewust naar iemands schoenen kijkt, met een lang aangehouden blik, let je er meer op dan je zou denken, omdat schoenen simpelweg iemands sociale status uitdragen; goedkope of “foute” schoenen zullen je geheid verraden, in weerwil van je pak of japon van duizend dollar -en het tegenovergestelde is ook waar: trek een paar schoenen aan die duizend dollar hebben gekost onder vodderige oude kleren en je zult absoluut wegkomen met je haveloze plunje. En besef dat Andy ergens loopt waar het wemelt van de bewakers die de gedetineerden scherp in de gaten houden, want ze weten dat een gevangene maar aan één ding denkt, namelijk hoe hij eruit kan komen.

Plotgat 4: nee, ik trap er niet in, ik acht het niet mogelijk dat slechts drie klappen met een niet zeer grote steen op een massief ijzeren rioleringsbuis  die geen roestsporen vertoont deze werkelijk zal doen breken, en, nog minder mogelijk, dezelfde steen te gebruiken, die, zoals we duidelijk kunnen zien, geen scherpe snijranden heeft, om daarmee een cirkel uit het metaal te snijden, groot genoeg opdat een volwassen man zich daardoorheen in de pijp kan laten zakken.
(Vervolg: En ik had het niet verkeerd, na het schrijven van bovenstaande las ik op het Net dat de rioleringsbuis een rekwisiet was, speciaal vervaardigd voor de film, uit materiaal waarvan je kon verwachten dat het zou breken na drie keer beuken met een steen, ergo, plotgat 4 was *met opzet* gemaakt (overigens was de nep buis gevuld met bruine nep poep, een mengsel van chocoladesiroop en zaagsel). En nu, bereidt u zich voor op een schok: volgens Tim Robbins, naar eigen zeggen, zou een werkelijke ontsnapping door een riool nooit kunnen worden uitgevoerd, citaat: “De buis zelf was prima, hoewel Robbins People TV vertelt, terwijl hij gaat zitten voor Couch Surfing dat de werkelijke  ontsnapping nooit aannemelijk zou kunnen zijn. “Het moet feces voorstellen, wat je, tussen twee haakjes, nooit zou kunnen overleven omdat het methaan je zou doden”, legt hij uit.”)
Bron

Verrek, dus hier hebben we een regisseur die expres plotgaten in het verhaal graaft? Dat is helemaal nieuw voor mij.

Plotgat 4a: is het heus? Je doet documenten in een plastic zak, je bindt hem dicht met een dik touw (waarmee je niet kunt “snoeren”), knoopt het andere eind om je been, je kruipt dan door een rioolbuis rijkelijk gevuld met onzegbare inhoud over een afstand van zo’n 500 meter, de zak gaat helemaal kopje onder, aan het eind kom je terecht in een rivier, de zak wordt andermaal ondergedompeld, maar toch, zoals we verderop in de film zien, zijn die documenten droog gebleven en niemand zou weten dat ze door een riool en een rivier waren gesleept. Echt waar?

Plotgat 5: is het geloofwaardig dat Andy Red in vertrouwen neemt om hem in te lichten over zijn financiële meesterplan, waarbij hij de directeur bezwendelt waar hij bij staat in zijn eigen kantoor? En niet op fluistertoon, maar hardop, uitgerekend in de gevangenisbibliotheek  waar elk ogenblik een bewaker binnen zou kunnen komen en fragmenten van de onthulling zou kunnen meenemen?
Hier kunnen we kort zijn: *niet* geloofwaardig, vertrouwen is al een heikele zaak buiten de gevangenismuren, laat staan daar binnen, en sowieso, je zou van een briljante bankier een dergelijke naïviteit niet verwachten;  hij zou niet het risico willen nemen zijn eigen ontvluchtingsplan op te blazen als het bedriegen van de directeur daar immers de kern van vormt.

Tot zover.

En nu de film als geheel: verteller Reds donkerbruine, krachtige stemgeluid is als een reddingsboei voor deze film, evenals het grootse acteren van de gehele rolbezetting, en zodoende wordt  hij gered van de verdrinkingsdood in de vloed van sentimentaliteit, het al te voorspelbare morele appèl op rechtschapenheid versus hypocrisie (bijvoorbeeld de zelfgenoegzaamheid van de directeur die de bijbel omhoog houdt als zijn baken, en toch Gods woord schendt met iedere stap die hij zet), en de afwezigheid van kernachtigheid en spitsheid (wanneer je zou kunnen verdrinken in iets wat er niet is). Twee regels uit de film zijn het waard om je te herinneren: waar Andy de aanklager in de rechtszaal, aan het begin van de film, vertelt dat de onvindbaarheid van het pistool nu juist het probleem is (nadat laatstgenoemde had opgemerkt dat de onvindbaarheid van het moordwapen de verdachte wel goed uitkwam). Het tweede voorbeeld van iets wat ik zou aanmerken als ‘scherpzinnigheid” is Andy’s uitspraak in de bibliotheek dat hij voor zijn insluiting zo eerlijk als goud was maar dat het leven in de gevangenis hem had veranderd in een boef, verwijzend naar zijn status als de persoonlijke witwasser van de directeur.
De uitwisseling in de gevangenisbibliotheek tussen Heywood, Andy en Red, rond de naam Alexandre Dumas en de “Graaf van Monte Cristo”, lijkt een wanhopige poging om humor in te film te brengen, en onvermijdelijk wordt het er dik opgelegd.

Rest ons om het einde… te behandelen.
Darabont neemt ons bij de hand, en daar gaan we, Red volgend waar hij op een bus stapt naar een plek die Andy had genoemd voor zijn ontsnapping, om datgene naar boven te halen wat laatstgenoemde had begraven. Terwijl hij onder de boom zit en de brief leest die hij uit de doos haalde, werpt hij bezorgde blikken over zijn schouder wanneer hij een geluid hoort (in ons hoofd horen wij de stille stem van Darabont aan ons uitleggen: “Ja kinderen, hij moet voorzichtig zijn, want hij wil niet dat zijn vriend in moeilijkheden geraakt…” )
Als volgende worden we getrakteerd op een uitstapje over de grens met Mexico, weer onder Darabont’s vleugels, en hij wijst naar een chique rode cabriolet, het is Andy achter het stuur suizend over de Mexicaanse autoweg, de wind door zijn haar, hij toont jonger dan ooit, een tevreden glimlach op zijn gezicht, en onze vaderlijke regisseur vertelt ons zwijgend: “Kijk kinderen, zie hem gelukkig zijn, is het niet prachtig, hoe vrijheid iemand kan veranderen!”
Nochtans werd het al vastgesteld dat institutionalisering een ding is om rekening mee te houden, en ontslagen gevangenen van lange jaren zullen eerder wel dan niet lijden aan angsten en andere geestelijke problemen; we weten nog hoe Brooks, de voormalige gevangenis-bibliothecaris zich opknoopte in zijn kosthuis.
(O, trouwens, de scene met Andy in zijn cabriolet is een aardig klein, binnengeslopen regiefoutje, uit “trivia“: “In de slotscène in Zihuatanejo rijdt Andy in een rode 1969 Pontiac GTO – alhoewel de scene zich moest afspelen in 1965! De filmmakers zouden oorspronkelijk een ’65 Mustang gebruiken maar de eigenaar veranderde van gedachten op het laatste moment”)

De slotscène:
Nog steeds achter Darabont aanlopend, houden we stil bij het strand waar Andy knutselt op het dek van een boot in het zand – iemand komt op hem toe, aha, het is Red, die de instructies in de brief heeft opgevolgd en de bus heeft genomen om Andy hier te ontmoeten; wanneer hij de boot nadert, horen we hem zijn eigen gedachten formuleren: “Ik hoop dat de Stille Oceaan net zo blauw is als in mijn dromen…. ik hoop…”, een verband scheppend met zijn meningsverschil, destijds in de gevangenis, waarbij Andy het belang van hoop benadrukte, tegengesproken door Red die hoop een “gevaarlijk” ding vond.

En we horen Darabonts geïmpliceerde boodschap: “Zulke inspirerende woorden kinderen, onthou ze je hele leven lang in deze grote slechte wereld!” terwijl hij ons een enorme suikerspin door de strot propt.

En zo hangt deze film op het eind aan een versleten cliché en slechts een klein rukje is genoeg voor de dodelijke val.  Net goed, cinematografische misdaden en regiefouten moeten worden gestraft.

Amen

ENGLISH

The Shawshank Redemption: Plot-holes and a Cinematic Crime

Couple of days ago I watched “The Shawshank Redemption”, released in 1994. Familiarity with the film is presupposed, hence I shall not include a synopsis.

IF I ever remember this film, it will be mainly for the oversights, already denoted in the title. So let me not beat about the bush and start off with:

Plot-hole 1: the protagonist, banker Andy Dufresne, is convicted to two consecutive life sentences in a “tough” prison — naturally the prison guards frequently ransack the cells, as is to be expected in a tough prison. Where the film gradually begins to end it appears Andy is missing from roll call. A host of jailers together with the prison warden rush to the scene and survey Andy’s empty cell with unbelieving eyes. To express his frustration the exasperated warden starts throwing stones from Andy’s collection at the walls  thereby inadvertently solving the riddle of the abandoned cell: one little stone aimed at a poster of Raquel Welch vanishes behind the paper. The warden, wide eyed and even more incredulous, plunges his arm shoulder deep right through the poster, to then rip it from the wall; in the next scene we see  the heads of warden, jailer and Andy’s prison buddy from inside the tunnel as they group together staring into the escape route leading to the protagonist’s freedom.

Seriously?
Because at this point in the film we already know that Andy Dufresne needed some twenty years to chip that tunnel through the prison wall; yet director Frank Darabont wants us to believe that not a single one of those over-ambitious, over-aggressive jailers, only too happy to catch a prisoner out on something, however insignificant, nor the warden himself, an unfeeling SOB, ever had the idea, during all those twenty years, when carrying out the obligatory cell checks, to take a look behind the many posters of film stars adorning the walls of Dufresne’s cell.
(Irony: note that in the warden’s office a framed cross stitch pattern hides a vault in the wall, so these guys obviously are familiar with that trick, hiding holes behind pictures….)
Apart from that: is it possible for a prisoner to work at a tunnel during twenty years, the tunnel getting longer and longer, which involves crawling all the way in and back again and NEVER once be caught in the act? Note that chipping away stone is not noiseless and ‘t is a known fact that at night you can hear a pin drop next door. And yes, counts are conducted during the night as well, and for that matter the cells in the prison were closed with steel grill doors,  so you could see the prisoner in his bed at one glance (or out of it, or two legs sticking out of a tunnel…).
Yes, possible. But only in the perforated imaginations of Frank Darabont and Stephen King.

Plot-hole 1a: having dug our way through this baffling oversight, we get to the total mystery of how on earth Andy managed to readjust Raquel’s image over the hole, once in the tunnel. Well, he could not have seen to it because not possible — the scene shows Andy pushing himself into his tunnel, just so wide and high as to accommodate him lying stretched out, head first. So either he worked magic, or else he would have had to put the poster back with his legs and feet (it was suggested in some Internet forum dealing with this particular plot-hole that Andy rolled up the poster and as it came down it would have hung flush with the wall; objections from forum members were that the poster had to be stretched taut for the stone to pass through it, in the way it did, which of course invalidates the “rolling up” theory).
This is the most glaring hole-in-a-plot I have ever witnessed in my life as a moviegoer.

Plot-hole 2: throughout the film the harsh conditions, the bad food, the beatings, the weeks and months spent in soul-destroying solitary confinement, the lack of perspective, the hostility among the prisoners, do not affect the outward appearance of Andy and Red (A.’s prison buddy); after twenty years (!) they still look fresh faced, the hairlines did not recede notably, we see no wrinkles, their teeth are intact, indeed, Andy’s pearly whites flash so nicely when he smiles (no, I refuse to believe the prison dentist would provide caps, facings and well fitting dentures), both buddies walk straight backed and their eyes are clear (matter of fact, not one personage ages as the film progresses, the warden and jailers are all obviously blessed with self-rejuvenating genes…).
As for the inner selves: there too, things are sound for our two heroes. I am absolutely sure that spending two decades in a hellhole is more than enough to drain an individual’s last emotional resources, but we see no evidence of that; the Andy and Red at the end are still very much the same Andy and Red from the beginning, apart from producing enriched philosophical observations during recreation time. Look at them sitting with their backs to the wall of the recreation area… don’t they look just like two relaxed guys, from a building project, having a lunch time chat in some urban neighborhood? But perhaps we need to assume that these two are made of other stuff than ordinary mortals.

Plot-hole 3: Andy, in his capacity of the Warden’s confidant and bookkeeper, managing his fraudulent transactions, at one moment uses an opportunity to exchange their shoes, thus he walks from the Warden’s office to his cell in the latter’s pair, black and shining like mirrors. No one is going to tell me that this would go unnoticed. The narrator (Red), states the contrary: “Seriously, how often do you really look at a man’s shoes?
Well, while you may not look at someone’s shoes consciously, like a prolonged stare, you actually notice them more than you would think, for the simple reason that shoes flag someone’s social status; cheap or “wrong” shoes will give you away any time, despite your thousand dollar dress or suit — and the opposite is true too: wear a pair of thousand dollar shoes below shabby, old clothes and you *will* get away with your tatters.
Then remember, Andy is walking through a place infested with guards trained to scrutinize the inmates, because they know that the only thing on a prisoner’s mind is how to get out.

Plot-hole 4: no, I will not buy it, I will not deem it possible that a mere three strikes with a not so very big stone on a massive iron sewer pipe showing no signs of rust, will actually bust the pipe and, even more impossible, employing the same stone, which, as we can clearly see, has no cutting edges, to somehow slash a circle in the metal, large enough for a full grown man to lower himself into the pipe.
(Update: And I was not wrong, after writing the above I picked up from the Net that the sewer pipe was a prop created especially for the film, out of material expected to break under three bangs with a stone, making plot-hole 4 *intentional* (by the way, they filled the mock sewer with brown mock shit, a mixture of chocolate syrup and sawdust). And now, be in for a shock: by Tim Robbins’ own admission, an actual escape through a sewer could never even have been carried out, quote: “The pipe itself was fine, though Robbins tells PeopleTV, while sitting down for Couch Surfing, that the actual escape would never be plausible. “It’s supposed to be feces, which by the way, you wouldn’t be able to survive this because the methane would kill you,” he explains.”)

Well, I’ll be damned, so here we have a director who expressly digs plot holes?! That’s a new one to me.

Plot-hole 4a: really? You put documents in a plastic bag, tie it up with a rope, tie the other end to your leg, you then crawl through a sewer well filled with unspeakable content over a distance of some 500 yards, the bag gets a full dunking, at the end you wind up in a river, bag again is totally immersed, but yet, as we see later on in the film, those documents stayed dry and no one would guess they had been towed through a sewer and a river. Honestly?

Plot-hole 5: is it credible for Andy to confide in Red, telling him of his financial master plan where he bamboozles the warden under his very eyes in his own office? And not whispering, but out loud, in the prison library of all places, where at any moment a guard might enter and pick up fragments of the revelation?
We can be brief here: *not* credible, trust is a tricky thing outside the prison walls, let alone inside, and anyhow, you would not expect a brilliant banker to be so naive as to risk blowing up his own break out scheme, if hoodwinking the warden lies at its very core.

So far so good.

And now for the film as a whole (no pun intended): narrator Red’s dark, mahogany voice is one of the film’s lifebuoys as is the great acting of the entire cast, thus saving this film from drowning in the flood of sentimentality, the all too predictable moral calls on rectitude versus hypocrisy (for instance the prison warden’s self-righteousness, holding up the bible as his beacon yet violating God’s word with every step he takes), and the absence of pithiness and wit (if you can actually drown in something which is not there). Two lines in the film are worth remembering: where Andy tells the prosecutor, in court at the beginning of the film that “not” finding the gun was in fact the “inconvenience” (after the latter mentioned the “convenience” of the lethal weapon missing). The second instance of something I might rate “wit” is Andy’s statement, in the library, that before his incarceration he was as “straight as an arrow”, but it took prison life to turn him into a “crook”, pointing to his status as the warden’s personal money launderer.
The exchange in the prison library, between Heywood, Andy and Red, centered around Alexandre Dumas’ name and the “Count of Monte Cristo” seems a desperate effort to bring humor into the film, inevitably laying it on thickly.

Leaves us to deal with… the ending.
Darabont takes us by the hand, and there we go, following the paroled Red as he boards a bus bound for a spot Andy had mentioned before his escape, to dig up whatever it is the latter buried. As he sits underneath the tree reading the note extracted from the box, he casts worried glances over his shoulder whenever he hears a sound (in our heads we hear the silent voice of Darabont explaining to us: “Yes, children, he needs to be careful, because he does not want his friend to get into trouble…”).
Next we are treated to an outing across the border with Mexico, again under Darabont’s wing, and he points to a smart red convertible, Andy at the wheel roaring along the Mexican freeway, wind in his hair, looking younger than ever, a contented smile upon his face, and our fatherly director silently tells us: “Look children, see him being so happy, isn’t it wonderful, how freedom can change someone!”
Yet it had already been established that institutionalization is a thing to be reckoned with, and more likely than not paroled long term prisoners suffer from anxiety and other mental problems; remember how we saw  Brooks, the former prison librarian, tie himself up in his boarding house.
(Oh, by the way, the scene with Andy in his convertible is a nice little plot-hole snuck in, from “trivia”: “In the film’s closing scenes in Zihuatanejo, Andy is driving a red 1969 Pontiac GTO — even though the scene was set in 1965! The filmmakers were originally set to use a ’65 Mustang, but the owner changed his mind at the last minute.”)

The final scene:
Still following papa Darabont, we halt at the beach where Andy is tinkering on the deck of a boat in the sand — someone is approaching him, lo, it is Red, who, following the instructions in the letter, boarded a bus to meet Andy here; as he nears the boat we hear him phrasing his own thought: “I hope the Pacific is as blue as it has been in my dreams… I hope…”, creating a connection with his difference of opinion, back in the prison, where Andy stressed the importance of hope, contradicted by Red, who found hope a “dangerous” thing.

And we hear papa Darabont’s implied message: “Such inspiring words children, remember them all through your life in this big bad world!” as he jams a stick of cotton candy down our throat.

Thus this film ends hanging by a threadbare cliche and it takes just a slight tug to make it fall to its death. Serves it right, cinematic  crimes and plot-holes must be punished.

Amen.

 

Amsterdam, vrijdag-Friday 03-07-20

Stof, vuil, viezigheid, derrie en vlekken

Steeds en altijd moeten we onze huizen schoonmaken en alles daarin: de wasmachine voelt plakkerig aan wanneer ik er met mijn hand overheen ga, net als  de ladegrepen, het tafelblad trekt stof en allerlei ondefinieerbare deeltjes aan, de gootsteen besmeurt zichzelf met vet en omhelst slijmerige vuiligheid, het rooster op de doucheafvoer is de ideale val waar  natte, gekronkelde haren wachten om door ons te worden ontdekt en gehaat, de vensterbank weigert om langer dan een halve dag onbevlekt te blijven, de vloer is een dankbare ontvanger van kruimels, stukjes paper, korreltjes aarde meegenomen van buiten, vieze vingerafdrukken ergeren ons op glimmende witte deuren en meubels, het glanzende voorpaneel en knoppen van de radio ruilen hun glans in voor vuil, van de gordijnen komt grijs of zelfs zwart water af wanneer je eraan toekomt ze te wassen (je schrikt je dood), om nog maar te zwijgen van de vele andere dingen in je huis die heel graag hun onbevlekte staat inruilen voor bezoedeld, en laat ons niet de *vlekken* vergeten, de kroongetuigen die verklaringen kunnen afleggen over onze slordigheid en onhandigheid.

In de natuur is er niet zoiets als “vies”. Daarom zijn de dingen aangeduid door de termen in de titel alleen maar wat ze zijn wanneer ze zich eenmaal  aan door de mens vervaardigde objecten hebben gehecht of zijn geïnfiltreerd in menselijke interieurs. De modder die aan mijn felroze rubber laarzen kleeft na een wandeling op een regenachtige dag is slechts “vuil” op die laarzen en op de mat bij de voordeur, maar het modderige pad is het normale verschijnsel  van aarde vermengd met water; de deprimerende gootsteen, vies en vettig, bestaat uiteraard niet in de natuur, feitelijk bestaat NIETS van wat de mensen hebben gefabriceerd ergens anders dan in het land der beschaving. Dus laten we duidelijk zijn: de natuur is zuiver en schoon, alle dingen worden voortdurend gerecycled om verschillende doelen te dienen, niets bevindt zich ooit op de verkeerde plek – de natuur accepteert zichzelf volledig en is geheel zelfvoorzienend.

Hoe zou het zijn geweest voor Holenvrouw en Holenman, die hun levens zo veel dichter bij de natuur leefden? Ik maak een redelijke kans om het bij het rechte eind te hebben wanneer ik speculeer dat deze voorouders dierenhuiden op het koude steen neerlegden, vanzelfsprekend om het zich gemakkelijk te maken, en misschien weefden ze matten uit taai gras – het liefst rond het vuur in het midden.
Pardon… “huiden” of “matten” ? Boem, daar ga je: een interieur dat door de mens vervaardigde objecten bevat die “zeer kleine droge deeltjes” zullen aantrekken, waar deze niet worden gewaardeerd.

Stel je nu eens voor dat Holenvrouw buiten haar grot staat, gekleed in dierenvellen, bezig stof en vreemde pikkeltjes van de huiden en de matten te schudden, ze slaat ze tegen de stenen buitenwand van de grot, gaat dan haar nederige woning weer binnen om de vloer te vegen waar deze bezaaid ligt met geblakerde resten van het vuur en misschien de overblijfselen van het maal de avond tevoren, botten en brokken vlees. Klaagde ze over de eeuwigdurende strijd tegen de vervuiling van haar grottenhuis? Tot dusver is er geen schriftelijk bewijs van haar ontevredenheid in dat opzicht gevonden, maar haar klachten zullen zijn overgeleverd door all generaties vrouwen die werden gedwongen om zich bezig te houden met de afschuwelijke taak de grot schoon te maken: vele jaren later ontwierp een of andere geavanceerde grotbewoner een machine die stof op kon zuigen in een oogwenk.

Ikzelf gebruik die machine trouwens zelden, meestal sta ik in de opening van de grot en schud en klop mijn matten en het nep berenvel met de hand. En nu, zijn we gereed voor een klein experiment? Daar gaat-ie dan.

Om te beginnen verwijderen we het meubilair, ieder.stuk.een.voor.een – en dat is nog niet alles, wat er bovenop en erin staat moet ook weg, boeken, snuisterijen, vazen, wat dan ook, weg ermee! We trekken de vaste vloerbedekking eruit en ruk ook maar het behang eraf, waardoor het kale beton van deze stedelijke woning bloot komt te liggen (nodeloos te zeggen hadden we de wanddecoraties al bij het vuilnis gezet). De wasmachine doneren we aan de kringloopwinkel, evenzo de koelkast, en het fornuis plus ieder ander elektrisch huishoudelijk apparaat dat we zouden kunnen bezitten, daarbij inbegrepen, nota bene, de stofzuiger…
Dus wat rest ons nog?

Dit: een matras op de vloer in wat we nog steeds de “slaapkamer” zouden kunnen noemen, gordijnen om te voorkomen dat anderen onwelkome blikken in ons betonnen sanctum werpen (we willen ook niet worden bespied door de overburen), beddengoed en kussens in een kast, schoenen en kleren en ondergoed en sokken en jassen in een andere kast, onze amuletten en sieraden hangen aan haken, we bewaren noodzakelijke documenten in een doos, potten en pannen staan gestapeld op een rek aan de keukenwand, het keukenblok onder de waterkraan, gerei om te koken en te eten in de laden en kasten, twee ouderwetse kooktoestellen staan op het aanrecht (de benodigde lonten, olie en lucifers in het kastje eronder), voedsel opgeslagen op planken in de keukenkast en in manden, flessen schoonmaakazijn, tabletten sunlight zeep, dweilen, zwabbers en emmers en bezems in de badkamer (voor het allernoodzakelijkste schoonmaakwerk wat we per slot niet kunnen overslaan), een wandkast met een spiegel waarin spul staat voor de persoonlijke verzorging, een medicijnkist, een grote boiler (vooraf geïnstalleerd door de woningbouw), in de vierde kamer manden met daarin naalden, scharen, knopen, ritssluitingen, breinaalden, wol, verschillende stoffen, een keramische kachel voor de echt heel koude winterdagen en natuurlijk is er de toiletpot in het toilet, de “beschaafde” versie van het gat in de grond.
Het bovenstaande is alles wat we nodig hebben.

Voila, ons eenentwintigste-eeuwse grot, middenin de beschaving, volg mij door kale betonnen gang, om de kale betonnen woonkamer te betreden, een grote boomschijf in het midden (ja, we hebben die ene concessie gedaan aan de “geen meubelen” regeling), matten, nep berenvellen en kussens eromheen. Dus nu er is niet veel meer om schoon te maken in de uitgeklede flat, afgezien van de vloer aanvegen, de matten en kussen uitkloppen en beddengoed en kleding wassen; al met al zo dicht als ik  het grotleven van de oer-Holenvrouw kan benaderen binnen mijn eigen leven als stedeling.

Maar wat is dat, in een hoek van de kamer op mijn eenentwintigste-eeuwse betonnen grotvloer? Voowaar, het is een laptop, een apparaat dat de maatschappij mij opdrong, er zonder zal ik niet bij mijn geld kunnen (een niet-bestaand item in de dagen van de oer Holenvrouw, tenzij de dame zelf de valuta was, in ruil voor berenvellen en een  jaarvoorraad pijlpunten).

Vanzelfsprekend moeten wij de laptop smetteloos houden.

Dust, dirt, filth, grime, muck and stains

Mabel Amber
Jul 2 · 5 min read
Always and forever we need to clean our houses and everything in them: the washing machine feels sticky when I run my hand over it, and so do the drawer grips, the table top collects dust and all manner of indefinable particles, the kitchen sink joyfully coats itself with grease and embraces slimy muck, the shower room drain cover is the perfect trap for the wet, coiled hairs waiting for us to spot and hate them, the window sill refuses to remain pristine for more than half a day, the floor is a grateful recipient of crumbs, bits of paper, pellets of tracked in earth, filthy fingerprints annoy us on white doors and furniture, the shiny front panel and knobs of the radio exchange their shine for grime, the curtains give off grey or even black water when you get round to washing them (shocking the hell out of you), not to mention the many other things in one’s house that are eager to surrender their unsoiled state to being sullied and let us not forget *stains*, those key witnesses that testify of our own carelessness and butterfingers.
There is no such thing as “dirtiness”, in nature. Therefore the terms in the title are only what they are once they attach themselves to artificial objects and infiltrate artificial interiors. The mud which will stick on my bright pink rubber boots after a walk on a rainy day is only “dirt” on those boots and on the mat at the front door, but the muddy path is just a normal phenomenon of soil mixing with water; the depressing kitchen sink, filthy and greasy, obviously does not even exist in nature, in fact NOTHING which people ever fabricated has existed anywhere else but in the land of civilization. So let’s be clear: nature is pure and clean, all things are constantly recycled to serve different purposes, nothing is ever out of place anywhere — nature wholly accepts itself and is totally self-supplying.
How would things have been for Cavewoman and Caveman, living their lives so much closer to nature? Standing a reasonable chance of being right I am speculating that these forbears laid animal hides on the cold stone, obviously to make themselves comfortable, en maybe they wove mats out of tough grasses — preferably around the fire in the middle.

Excuse me…“hides” or “mats”? Boom, there you have it: an interior containing man made objects, which will attract “fine particles of solid matter”, where these are not appreciated.

Now picture Cavewoman standing outside her cave, clad in animal skins, shaking the dust and foreign specks from the hides and mats, pounding them against the stone outside wall of the cave, then reentering her humble abode to sweep the floor where it lies littered with blackened remnants from the fire, and perhaps the remains from the meal, bones and chunks of meat, the night before. Did she complain about the everlasting battle against the pollution of her cave home? As yet no textual evidence of her dissatisfaction in that respect has been found, however, her complaints must have been passed down through all the generations of women who were forced to busy themselves with the odious task of cleaning the cave; many years later some advanced caveman designed a machine that could suck up dust in a jiffy.

I myself rarely use this machine by the way, mostly I stand in the cave entrance and manually shake and beat my mats and the fake bear rugs. And now, are we ready for a little experiment? Here goes.

First of all we remove the furniture, every.single.bit — and that’s not all, what is on top or inside, has to go as well, books, knickknacks, vases, anything, away with it! We also tear out the wall to wall carpeting and speaking of walls: just rip away the wallpaper, exposing the bare concrete of this urban dwelling (needless to say, we had already trashed the wall decorations). The washing machine will be donated to the thrift shop, likewise the fridge, and the cooking stove plus any other electrical household devices we might possess, including, please note: the vacuum cleaner…
So what are we left with?

This: a mattress on the floor in what we might still call the “bedroom”, curtains to prevent others casting unwelcome glances in our concrete sanctuary when walking past the windows (nor do we want to be spied on by the across the street residents), bedclothes and pillows in a closet, shoes and clothes and underwear and socks and coats in another closet, our amulets and jewelry hang from hooks, we keep essential documents in a box, pots and pans stacked on a rack fastened to the kitchen wall, the kitchen unit under the water tap, utensils for cooking and eating in its drawers and cupboards, two old fashioned cookers sitting on the sideboard (the necessary wicks, oil and matches in the cupboard below), food stored on shelves in the kitchen closet and in baskets, bottles of cleaning vinegar, bars of sunlight soap, rags, mops and buckets and brooms in the shower room (for the ultimately necessary cleaning which simply cannot be dispensed with), a wall cupboard with a mirror containing stuff for personal care, a medicine chest, a big boiler (preinstalled by the housing corporation), in the fourth room baskets holding needles, scissors, buttons, zippers, knitting needles, wool, various fabrics, a ceramic heater for the really cold winter days and of course there is the toilet bowl in the toilet, the “civilized” version of the hole in the ground.
The above is all we need.

Voila, our twenty-first century cave, right in the middle of civilization, follow me through the bare concrete corridor into the bare concrete living room, a big tree trunk slice in the middle (yes, we made that one concession to the “no furniture” arrangement), mats, fake bear rugs and pillows around it. So now there is not much to clean in the stripped flat, apart from sweeping the floor, pounding mats and pillows plus washing clothes and bedding; all in all as close to primal Cavewoman’s cave  life as I can get to within my life as an urban dweller.

But what is that, sitting in a corner of the room on my 21st century concrete cave floor? Forsooth, ‘t is a laptop, a gadget society forced upon me, without it I won’t be able to get to my money (which was a non-existent item in the primal Cavewoman’s day, unless the lady herself was the currency, in exchange for bear skins and a year’s supply of arrow heads).

It goes without saying that  we must keep the laptop impeccable.

©MabelAmber®

 

 

Amsterdam, maandag-Monday 29-06-20

Mazzel?

Op een avond toen ik aan de keukentafel zat achter mijn laptop hoorde ik een onbekende, melodische hoge toon, die wat weg had van een ouderwetse telefoon, ergens in het vertrek. Ik keek om mij heen maar ontwaarde niets en ging verder met mijn werk, een tekst die ik af wilde maken voor het naar bed gaan.
De volgende ochtend, was het geluid er weer, dat wil zeggen: waar? Deze keer voerde ik een een grondige zoektocht uit, het hoofd achter in de nek bekeek ik het plafond, ik kroop over de grond op handen en knieën om de vele hoekjes en gaatjes te inspecteren die in overvloed aanwezig zijn in een keuken volgepropt met meubelen, mijn wang tegen de vloer gedrukt, ik tuurde achter voorwerpen op de vensterbank, de tafel en een kastje, ik schudde de gordijnen uit en de theedoeken aan de haakjes, of er misschien iets uit de plooien zou vallen. maar mijn nauwkeurige inspectie leverde niets op, en evenmin hoorde ik het curieuze “rinkelen” weer.

Diezelfde avond, wederom achter mijn laptop bracht een lichte beweging die ik waarneem vanuit mijn ooghoek mij ertoe om mijn blik van de monitor naar de kleine schemerlamp op mijn tafel schuin tegenover mijn laptop te verplaatsen…. zie aan, daar was bron van de “ouderwetse telefoon”: een reusachtige sprinkhaan, niet verschillend van die op onderstaande foto.

Ongelofelijk. Zo lang al had ik gehoopt om een van deze wondere schepsels tegen te komen, wanneer ik door de parken en weilanden in mijn omgeving rondzwierf, de camera paraat, en altijd trof ik een veelheid van vogels, zoogdieren en insecten aan, maar het felbegeerde insect met de krankzinnig lange poten die aan weerszijden van het lichaam oprezen als scherpe driehoeken was er nooit bij. Wie sprak de de woorden: “Als je maar lang genoeg wacht dan krijg je het” of heeft iemand mij ze verteld, mijn moeder misschien?

Ik ging staan, onmiddellijk vastbesloten om dit prachtige dier uit diens hachelijke positie op de rand van de lampenkap te bevrijden; deze zat rond een peertje van slechts veertig watt, maar dat zou desondanks voldoende hitte produceren om een sprinkhaan te kunnen fataal te kunnen verschroeien, stelde ik me voor. Een scenario flitste door mijn hoofd: wanneer ik de stuk-papier-en-een-glas methode zou aanwenden, kon ik de “vracht” naar het tafelblad vervoeren om dan over te gaan tot het maken van een foto, dwars door het glas heen, onder het veel sterkere schijnsel van de plafondlamp – daarmee klaar, zou ik het paper tezamen met  het glas opnemen, naar buiten gaan, het glas wegtrekken en het papier kantelen: De Groene zou landen in (of op) het struikgewas, twee verdiepingen lager en zijn sprinkhanenleven weer oppakken (ik wist al dat wegens het sterke exoskelet van insecten in combinatie met hun lage lichaamsgewicht te pletter vallen niet aannemelijk zou zijn).

Aldus poogde ik dit scenario uit te voeren: ik trok een vel papier uit de stapel in een la, pakte een drinkglas uit het keukenkastje en liep naar de lamp, papier in de ene hand, glas in de andere, De Groene klauterde nog steeds rond op de lampenkap, nu en dan ging het dier naar de binnenzijde, beklom de steile helling om dan  opnieuw te verschijnen op de rand aan bovenzijde, gevaarlijk dicht aan de hete gloeilamp, slechts twee centimeter van zijn lichaam en poten vandaan. Behoedzaam schoof ik het vel tussen voeten en de lamp, net toen het beestje zijn evenwicht had gevonden, balancerend op de rand als een koorddanser…. het papier gleed onder De Groene, ik wilde het glas eroverheen plaatsen en… door een onwillekeurige beweging hield ik mijn hand scheef, waardoor het object van mijn reddingsactie op mijn blote arm gleed.

Misschien heb ik veel te veel macro foto’s van insecten gezien, sprinkhanen incluis: close-ups van harige koppen, enge kaken, klauwachtige uitsteeksels, ondefinieerbare lichaamsdelen waarvan je je afvraagt welk doel zij zouden dienen, de enorme bolle ogen die zo “oogloos” lijken, om nog maar te zwijgen van die kruiperige poten overal, en doorzichtige lijven met vreemde draderige dingetjes die door de glanzende buitenkant heen schijnen. Maar goed, wat de reden ook was, ik slaakte een uitroepje, zoiets als “Aargh!”, de klassieke kreet van een vrouw verrast door een muis in de seksistische thema’s over een groot deel van de vorige eeuw, waar de vrouw gillend haar toevlucht nam op een tafel, en daarbij haar rok strak om haar benen trok totdat een of andere (mannelijke!) held haar kreten zou horen en ofwel de muis verjoeg ofwel ter plekke doodde. Nodeloos te zeggen schudde ik mijn arm en, zoals te verwachten viel, verdween De Groene van mijn vlees en… uit mijn zicht. Ik stond daar, en voelde me dwaas en hulpeloos, en ik berispte mezelf om mijn reflex, omdat ik heel goed wist dat sprinkhanen geen mensen bijten of steken.

Ik zette de  reddingswerktuigen neer en herhaalde dezelfde routine: kruipen op handen en knieën, in donkere plekjes loeren, enzovoort, net als eerst en mijn zoektocht bleef, net als eerst, vruchteloos.
In de dagen die volgden hoorde ik De Groene enkele keren tsjirpen, maar ik kon hem niet lokaliseren en mijn wachten werd ook niet beloond. Ik lette erop dat ik mijn keukenraam pas veel later dan anders sloot, en daarnaast liet ik zowel de keukendeur als de buitendeur open staan. Ik had veel spijt de redding te hebben verpest en begon zelfs om mijn verdwaalde bezoeker te treuren, die nu misschien zou omkomen van honger en dorst in mijn ongastvrije gevangenis – een ellendig beeld rees op voor mijn geestesoog, van mij die De Groene tevoorschijn haalde als een verdroogd lijk, bij het schoonmaken van de keuken; trouwens, wie weet of de stank zou zijn verblijfplaats verraden.

De mogelijkheid dat De Groene lag weg te kwijnen ergens in mijn onmiddellijke nabijheid had mijn keuken veranderd in een gevarengebied, en ik merkte hoe ik op mijn bewegingen en mijn tred begon te letten: het brosse, krakende geluid van diens lichaam geplet onder mijn slipper, of anders mijn hand die hem zou omvatten tezamen met keukengerei of voorwerp wat ik beetpakte werd een vooruitzicht wat me begon te achtervolgen, en ik huiverde bij de gedachte dat ik hem tegen mijn gezicht aan zou drukken met een handdoek of een washandje in de badkamer (gescheiden van de keuken door een gordijn dat niet helemaal tot de vloer reikt, dus De Groene zou er gemakkelijk in kunnen). Ik hing al het huishoudtextiel zo  op dat er geen plooien in kwamen en voor ik wat dan ook aanraakte, inspecteerde ik het aan alle kanten. Heel vaak reisden mijn ogen over het plafond en de wanden, in het bijzonder sommige schilderijen en andere decoraties, in de hoop dat ik hem zou zien, op zijn hoge post, nog steeds in leven, opdat ik hem eindelijk zou redden.

We zijn nu een week verder. Geen van de verwachtingen die mij obsedeerden zijn vooralsnog werkelijkheid geworden, en evenmin heb ik enige zekerheid dat De Groene erin geslaagd is zelf de uitgang te vinden, via mijn genadiglijke open raam en deur. De laatste keer dat ik tsjirpen hoorde (nog steeds als een oude telefoon) was op dag  na de mislukte reddingsoperatie, dus misschien is dat een indicatie van een “happy end”.

Bij het lezen van artikelen over sprinkhanen verneem ik  dat deze wezens in nogal wat culturen staan voor positieve dingen die je toevallen: spirituele verlichting, gezondheid, rijkdom en mazzel. In dat geval wil ik hopen dat het fortuin De Groene zelf heeft gezegend,  ik heb geen dierenoffer nodig om mijn kansen op te krikken.

(Alhoewel ik moet bekennen dat ik het enigszins sneu vind voor mezelf dat die geplande foto niet door is gegaan. Dat wat betreft fotografengeluk.)

 

ENGLISH

Lucky?

One evening, as I sat at the kitchen table behind my laptop, I heard an unfamiliar, melodic, high pitched sound, not unlike the ring of a vintage telephone, coming from somewhere in the room. I looked around but did not spot anything and resumed my work, a text that I wished to finish before turning in.
Next morning, the sound was there again, that is to say: where? This time I conducted a thorough search, my head in my neck checking the ceiling, crawling around on all fours to inspect the many nooks and crannies, abundantly present in a cluttered kitchen full of furniture, my cheek pressed to the floor, I peered behind objects on the window sill, the table and a cabinet, I ruffled the curtains and the tea towels hanging from their pegs, if anything might fall from the folds. But my close inspection yielded nothing, nor did I hear the curious “ringing” again.

That same evening, again behind my laptop, a slight movement which I caught with the corner of my eye prompted me to shift my gaze from the monitor to the small shaded lamp sitting on my table at an angle from the laptop…. lo, there was the source of the “vintage phone”: a whopping grasshopper, no different from the one in the picture above.

Incredible. For so long I had been hoping to come across one of these amazing creatures when roaming through the parks and the meadows in my vicinity, camera in hand, and I would always encounter a multitude of birds, mammals and insects, yet the coveted insect with the insanely long legs rising up at either side of its body like sharp triangles, never was among them. Who was it that said: “If you wait long enough you’ll get it”? Or did someone tell me, my mother perhaps?

I rose to my feet, immediately bent on rescuing this marvelous animal from its precarious position on the edge of the lamp shade; it shielded a bulb of only forty watt, but that would nevertheless generate sufficient heat to fatally scorch a grasshopper, I imagined. A scenario flashed through my mind: employing the sheet-of-paper-and-a-drinking-glass method, I could transport the “cargo” to the table top and proceed to take a picture right through  the glass under the much stronger ceiling light – that done, I would  take up the sheet together with the glass, go outside, pull away the glass, and tilt the paper: the Green One would land in (or on) the shrubbery, two floors lower down and go back to leading its grasshopper life (I already knew that the tough exoskeleton of insects in combination with their low body weight would make it unlikely for them to fall to their death).

Thus I attempted to carry out this scenario: I extracted a sheet of paper from its stack in a drawer, got a drinking glass from the kitchen cupboard and approached the lamp, paper in one hand, glass in the other, the Green One still clambering around on the lamp shade, now and then venturing inside, to climb the steep slope and reappear on the rim at the top, dangerously close to the hot bulb, only an inch away from its body and legs. Gingerly I inserted the sheet between its feet and the lamp just as it had found its footing, balancing on the rim like a tight rope dancer… the paper slid under the Green One, I made to place the glass over it and… involuntarily tilted the hand holding the paper, which caused the object of my rescue to slide onto my bare arm.

Perhaps I have seen far too many macro photos of insects, grasshoppers included: close-ups of hairy heads, scary mandibles, claw-like extensions, indefinable body parts which make you wonder what purpose they would serve, the huge bulbous eyes that look so “eyeless”, not to mention those crawly legs all over the place, transparent bodies with weird thready thingies shining through the glistening exterior. Anyway, whatever the reason, I cried a small cry, something like “Eek!”, the classic utterance of a woman surprised by a mouse in the sexist tropes over a large part of the previous century, where the woman would take refuge upon a table, shrieking and wrapping her skirt tightly around here legs till some (male!) hero would hear her cries and chase the mouse away or even catch and kill it then and there. Needless to say, I shook my arm and, as was to be expected, the Green One disappeared from my flesh and… from view. I stood there, feeling foolish and helpless, scolding myself for my reflex, when I knew perfectly well that grasshoppers won’t bite or sting humans.

I put down the tools of rescue and once again went through the motions, crawling on hands and knees, peering into dark places and so on, as before, and, just like before, my search remained fruitless.
In the days that followed I heard the Green One chirp chirping a couple of times, but I never could locate it, and neither was my waiting rewarded. I made it a point to shut my kitchen window far beyond the hour I usually close it, besides leaving both kitchen door and front door open. I regretted having bungled the rescue immensely and even began mourning for my stray visitor, who might now perish from hunger and thirst inside my inhospitable prison — a distressing picture rose up before my mind’s eye, of myself unearthing the Green One as a shriveled corpse, while cleaning the kitchen; for that matter, who knows or the stench would betray its whereabouts.

The possibility that the Green One might be languishing somewhere in the immediate vicinity had turned my kitchen into a hazardous area and I noticed how I began checking my movements and my step: the crisp crunching sound of its body flattened under my slipper, or else my hand encircling it together with some utensil or object I picked up started to become a haunting prospect, and I shivered at the idea how I might press it to my face with a towel or a wash cloth hanging in the shower room (which is separated from the kitchen by a curtain not quite making it to the floor, so readily accessible by the Green One). I hung up all home textiles in such a way to prevent folds and before touching anything at all I inspected it from every side. Frequently my eyes would scan the ceiling and walls, notably some paintings and other decorations, hoping I would spot it, sitting up high, still alive, for me to finally save it.

We are now a week later. None of the obsessive anticipations have as yet turned into reality, neither do I have any certainty that the Green One has been able to find its way out on its own, through my merciful open window and door. The last time I heard its chirping (still like a vintage phone) was on the day after the botched rescue operation, so perhaps that is an indication of a happy end.

Perusing articles about grasshoppers I learn that these creatures in quite a few cultures stand for positive things coming your way: freedom: spiritual enlightenment, health, wealth and good luck. In that case I will hope that fortune has blessed the Green One itself, I don’t need an animal sacrifice to boost my chances.

(Although I must confess being somewhat rueful that the intended photo shoot did not come through. So much for my photographer’s luck.

 

Amsterdam, vrijdag-Friday 27-06-20

13.04 cezt

Kwaadaardige mensen, zij die anderen die hen niets hebben aangedaan, doden en martelen, soms zelfs volslagen vreemdelingen, alleen maar voor de opwinding, welke  kracht zet hen ertoe aan deze daden te begaan? Gebrek aan remming? Haat? Gebrek aan geweten? Een moraliteit die niet aanslaat?

De aandrift om te doden leeft in ieder menselijk wezen, zij het onderdrukt; de samenleving legt de mensen moraliteit op, en veroordeelt moord en geweld wat op zijn beurt tot zelfcensuur leidt Maar toch roept de lust om bloed zij het wat gedempt (de natuur is sterker dan de leer) en die stem zal worden gehoord, en die stem zal een weg vinden om door de barrière heen te breken en  de natuur de vrije loop te laten, zo niet actief dan toch in elk geval passief. Dat verklaart de massa’s bij gladiatorengevechten en openbare executies in voorbije era’s (trouwens, openbare executies trekken nog altijd grote menigten in sommige landen waar de heersende moraal het groene licht geeft), het verklaart waarom gewelddadige films en rechtstreekse beelden van verkeersongelukken op reality-tv hoge kijkcijfers halen en waarom mensen te hoop lopen om een knokpartij te zien; en zo bevredigt de mens diens zucht naar bloed, wreedheid en pijn, door te kijken naar hoe anderen noodlottig letsel toebrengen aan hun slachtoffers. In feite, wanneer we uitgaan van de kale psychologische realiteit, dan doden mensen bij volmacht; zij die wegens enigerlei psychologische of genetische afwijking aan hun moordzucht geen weerstand kunnen bieden omdat de moraliteit in hen geen wortel schoot, zullen de onderdrukte impuls van eerstgenoemden plaatsvervangend botvieren.

Dit alles gezegd hebbend, besef ik dat ik de vraag die ik in de openingsalinea stelde, namelijk waarom bepaalde mensen, die de samenleving als “kwaadaardig’ bestempelt, niet ontvankelijk zijn voor de stem – en bovenal de “druk”- van de moraliteit, die hen op haar beurt  zou corrigeren, zodat het innerlijk instrument, gewoonlijk “geweten” genoemd in werking zou treden. Ik geloof niet dat dat  mogelijk is op dit moment; niemand heeft nog afdoend kunnen vaststellen of het nu aan genetische aanleg ligt, of aan de opvoeding, of een combinatie van beide waardoor de menselijke zelfcensuur verlamd raakt  en van hen monsters maakt die voldoening putten uit het doden om het doden.

Zal ik over een aantal jaren nog steeds achter mijn beweringen staan die ik hier zo pertinent te boek heb gesteld? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat er steeds weer nieuwe inzichten en kwesties opdoemen die het schrijven over de menselijke psyche bemoeilijken; zaken die twijfel zaaien en maken dat de pen van de denker in jou stilhoudt boven het papier, Als ik één ding met enige zekerheid kan stellen dat dit: de mens is samengesteld uit een veelheid van conflicten  die zich binnen alle aspecten van het mens-zijn afspelen, in relatie tot hemzelf en in relatie tot de samenleving en dan bovendien nog op alle verschillende niveau’s daarvan. Ik denk niet dat het mogelijk is om van dat alles één allesomvattend, harmonisch verhaal  te smeden waarin alles welhaast magisch op z’n plek valt; het schrijven erover onthult evenzoveel conflicten, tegenstrijdigheden en paradoxen als de mens zelf – kaleidoscopisch, om gek van te worden.

 

ENGLISH

13.04 cezt

People who are considered evil, that is, killing and torturing others who have not harmed them, or even total strangers, just for the kick: what force is it that compels them to perpetrate these acts? Lack of stopping power? Hate? Lack of conscience? Morality not kicking in?

Perhaps not some thing anyone would want to hear, but yet it is the same force that lives in each and every human being, be it suppressed by society which imposes the rules of morality upon the people, condemning murder and violence as undesirable behaviour, on penance of severe punishments. This in turn results in self-censure, or call it “conscience”.

But still the  lust for blood calls out, be it somewhat muffled (yes, nature is definitely stronger than the book) and it will be heard and it will find a way to break through the barrier, if not actively, because the voice of morality drowns out the cutting edge so to speak, then the passive way is next best. That explains the crowds at gladiator fights and public executions in bygone eras (for that matter, public executions still draw large crowds in some countries where the prevailing morality gives the green light), it explains why violent movies score high, why traffic accidents on real time reality TV make the audience ratings skyrocket, and why people flock to see fights; thus they satisfy their craving for blood, cruelty and pain, by watching others inflict fatal injury upon their victims. In fact, taking it to a stark psychological reality, people kill by proxy, where those, who due to some psychological or genetic anomaly, cannot suppress their desire to kill because obviously morality did not root, will act out their pushed back impulse in their stead.

All of this said, I realize that I did not answer the question I posed in the opening paragraph, namely why certain people, those whom society stamps as “evil” are not susceptible to the voice of morality which would in its turn correct them, triggering an inner agent commonly called “conscience”. No one as yet has been able to conclusively ascertain whether it is genetics or upbringing, or a combination of both that lames people’s self-censure, turning them into monsters who derive satisfaction out of killing for killing’s sake.

Will I still back the assertions I have so pertinently committed to paper here in a couple of years? I do not know.

What I do know is that time and again unexpected insights and issues rise up which hamper writing about the human psyche; matters that sow doubt and make the pen of the thinker in you pause above the paper. If there is one thing that I can put forward with any certainty, then it would be this: the human mind is composed of a  multitude of inner conflicts, in relation to itself and in relation to society which take place within all aspects of its humanness and furthermore on the different levels. I do not think that it is possible to weld all of that into one all-embracing, harmonic story; writing about it reveals as many conflicts, contradictions and paradoxes as human mind itself – kaleidoscopic and maddening.

 

 

 

Amsterdam, donderdag-Thursday 25-06-20

18.12 cezt

De nandoe in het park zit nog steeds op het nest, gelijkend op een in katzwijm gevallen bruid, met diens japon de grond om het lichaam bedekkend. Ik had de kinderboerderij, waar zo’n vier van deze vogels vertoeven, al een poos niet bezocht, en realiseerde  me niet onmiddellijk dat de elegante pose een zeer functioneel doel diende. Op zekere dag, toen ik net was gearriveerd, ging het dier even verzitten, waardoor het lichaam een eindje omhoog kwam, en mij een blik gunde op de grote gele eieren in de ondiepe kuil waar het verenkleed gewoonlijk overheen lag.  Tussen het snel focussen om het tafereel te schieten, eieren en al, kon ik zien dat het er meer dan drie waren. Vanaf dat moment bezocht ik de boerderij dagelijks, in de hoop op meer spectaculaire poses van deze prachtige vogel (toegegeven, hun gezichten zijn niet helemaal zo mooi als het stralende witte verenkleed doet vermoeden).

Uit Wikipedia verneem ik dat het mannetje het broeden voor zijn rekening neemt, de vrouwtjes willen niets met die klus te maken hebben. Ze lopen rond gedurende het broedseizoen, en paren seriegewijs met verschillende mannetjes, deponeren hun eieren op de rand van het nest, waar het mannetje ze verder verzorgt, en hij is het ook die de kuikens groot brengt.

Om goede foto’s te kunnen nemen, moest ik op de houten reling van een stenen trap klimmen die langs een zijde van het vogelerf gesitueerd is, het ijzeren hek vastgrijpend pal achter de reling, om mij aldus op te hijsen, waardoor mijn bovenlichaam vrij van het hek kwam, mijn voeten op de, vrij brede reling. Ik vroeg me af of mijn nabijheid de vogel misschien zou mishagen of zelfs verstoren, maar dat scheen niet het geval te zijn. Dit was de beste uitkijkpost voor uitnemende foto’s. Ik kon niet wachten tot de kuikens zouden zijn uitgebroed, en verkneukelde me bij het idee dat ik ter plekke zou zijn, precies op het moment dat een kuiken bezig was de schaal van diens kostbare gevangenis te breken om de grote slechte wereld binnen te treden. Toegegeven, een kleine kans, maar je weet maar nooit.

In de loop van de afgelopen maand, bezocht ik de grote witte vogel, bezig zijn missie te volbrengen met al het geduld wat alleen vogels hebben, vrij vaak, altijd hopend een goede blik te krijgen op de fascinerende capsules die het nieuwe leven bevatten,  wat ik snel zou gaan zien, om te vereeuwigen op mijn geheugenkaart.  Vandaar mijn schok toen ik een groot roomkleurig ei op de helling zag liggen, een aardig eindje van het nest en zijn trouwe verzorger vandaan. Tezelfdertijd merkte ik dat het nest verlaten was, er lagen nog maar vier van de zeven die ik eerder had kunnen tellen. Had de vader-vogel er de brui aan gegeven? Maar de volgende dag was hij er weer, over het nest gedrapeerd. Ik voelde me op een vreemde manier gerustgesteld.

Vandaag was ik ter plekke toen de verzorgers nog rondliepen – ik riep aan van hen aan en vroeg hem naar het welbevinden van mijn object van belangstelling, nog steeds op het nest, wat naar ik drie dagen geleden had gemerkt, was “bijgevuld”, en nu tien eieren herbergde.
Maar ach, wat vertelde hij mij een droevig verhaal: alle jongen van deze nandoes op de boerderij, waren altijd uit het ei gekomen als kneuzen: ze zakten door hun poten, misvormde snavels, rare ogen en andere mismaaktheden. “Softenon vogel” mompelde ik, verwijzend naar het thalidomideschandaal  van de jaren zestig. De verzorger trok zijn wenkbrauwen op en wierp mij een vragende blik, dus ik legde het uit.
“Normaal gesproken verwijderen we de eieren”, zei hij, “En dan geven we ze aan een dame die ze uitblaast en er prachtige kunst van maakt… maar nu zijn ze al te ver heen natuurlijk….dus gaan ze in een vuilnniszak….”.

En zo kan het wonder van de natuur niet geschieden op de kinderboerderij, en ook kan de artistieke dame de wereld nu niet verrijken met haar eieren-kunst, aangezien je een groot kuiken niet uit een klein gaatje kan blazen.

Helaas.

 

ENGLISH

 

18.12 cest

The greater rhea in the park is still sitting on its nest, not unlike a swooning bride, its gown covering the ground around its body. I had not visited the children’s farm, where some four of these birds reside, for a while and did not realize immediately that the elegant pose served a very functional purpose. One day, when I had just arrived, the animal shifted its position, which elevated the body somewhat, offering a glimpse of big yellow eggs in the shallow pit, usually covered by the plumage.. Between focusing swiftly to shoot the scene, eggs and all, I could see that there were certainly more than three.  From then on I visited the farm daily, hoping for more spectacular poses of this beautiful bird (admittedly, their faces are not quite as pretty as the shimmering white plumage suggests).

From Wikipedia I learned that it’s the male who does the brooding, the females do not want to have anything to do with that chore. They move around during breeding season, “serial” mating with different males and depositing the eggs on the edge of the nest, which is then rolled into it by the male — after their big moment, some six weeks later, it is again the latter who rears the hatchlings.

In order to get good shots, I needed to climb onto the wooden hand rail of a flight of stone steps bordering one side of the birds’ yard, clutching the iron gate immediately behind the rail, thus hoisting myself up, which enabled me to get my upper body free of the fence, my feet on the, fairly broad, rail. I wondered if my proximity might displease or even disturb the bird, but this did not seem to be the case. My point of vantage was the best for great shots. I could not wait for the chicks to hatch, and gloated at the idea of arriving on the spot right at the very moment when one chick would be breaking the shell of its precious prison to enter the big bad world. Admittedly, a remote chance, but you never know.

In the course of the past month I visited the big white bird, accomplishing its mission with all the patience that only birds have, quite frequently, always hoping for a good view of those fascinating capsules containing the new life, which soon I could see and immortalize on my memory card. Therefore I was shocked to see one large cream colored egg, lying on the slope a fair bit from the nest and its loyal caretaker. At the same time I noticed that the nest lay deserted, only four eggs remained of he original seven that I had counted some days earlier. Had the father-bird quit? But the next day he was back again, draped over the nest. I felt strangely comforted.

Today I was on the spot at a time when the caretakers were still around – I hailed one of them and asked about the well being of my object of interest, still sitting on the nest, which, I need to add, had been “replenished” as I noticed three days ago, and now contained ten eggs.
Ah, such a sad story he told me: all the hatchlings of these greater rheas at the farm  had always emerged from the eggs as freaks: legs giving out under them, misshapen beaks, weird eyes and other deformities. “Softenon bird”, I mumbled, referring to the thalidomide scandal of the sixties. The caretaker raised his eyebrows and shot me a quizzical look, so I explained.
“We usually remove the eggs”, he said, “And give them to a lady who blows them out and turns them into art…but now they’re too far ahead… so now we’ll just dump them into a trash sack…”.

Thus the wonder of nature cannot happen at the children’s farm, and neither can the artistic lady enrich the world with her egg art, since you cannot blow a full blown chick out of an egg.

Alas.

 

Amsterdam, woensdag-Wednesday 24-06-20

21.26 cezt

De angst van iemand die met de Bijbel is grootgebracht, eeuwig te branden in de hel wanneer hij of zij zondigt tegen Gods woord, is als de angsten van de Noord-Koreaanse burger die slechte gedachten heeft over diens “hoogste leider”.

Ik trek deze vergelijking om het feit te illustreren dat het niet uitmaakt welke naam er op het speldje van de entiteit staat, wiens onfeilbaarheid en almacht men heeft ingeprent in jouw ontvankelijke jonge geest, of het nu God is of een of andere dictator, het eindresultaat zal hetzelfde zijn: je leeft je leven in doodsangst voor de entiteit. En zo groot is deze vrees dat de betekenis van de regel  waarvan wordt verondersteld dat je daar onvoorwaardelijk gehoorzaam aan bent, wordt overgeschreven door de vrees.  God zegt dat je je moeder en je vader moet eren en doe je dat niet, zul je zeker branden in de hel. Aldus zal het lijden van je ouders onder jouw gebrek aan achting  minder zwaar wegen dan je eigen lijden met het gruwelijke vooruitzicht van de straf wanneer je faalt. Het verlangde antwoord op de vraag: “Waarom moet je je vader en je moeder eren?” zou dan zijn: “Omdat zij geweldige mensen zijn, die voor mij zorgen door heel mijn jeugd en elk van mijn behoeftes voorzien”, maar het onuitgesproken eerlijke antwoord luidt: “Wanneer ik dat niet doe zal ik in het vagevuur worden geworpen”.

Het antwoord op de vraag gesteld aan een Noord-Koreaan: “Waarom juicht u uw hoogste leider toe?” zal het voorgeschreven antwoord netjes opzeggen: “Omdat hij een grote leider is die zijn leven wijdt aan het welzijn van ons, zijn volk”, maar in de stilte van hun gedachten zal hun ware antwoord door hen heen flitsen: “Als ik dat niet doe zal ik worden gegrepen en gedeporteerd naar de hel op aarde”.

En zo kan een schrikbewind de perfecte voorwaarde zijn om mensen te kweken die geen liefde geven uit liefde maar om aan een gruwelijk lot te ontsnappen. Wat is dit anders dan morele chantage? En wat is die liefde waard?

 

 

ENGLISH

21.26 cest

The fear of  someone, who was raised with the Bible,  to eternally burn in hell when sinning against God’s word, compares to the fears of the North Korean citizen who has bad thoughts about  their “supreme leader”.

I draw this comparison to illustrate the fact that it does not really matter what tag the entity carries, whose infallibility and omnipotence have been imprinted upon your impressionable juvenile mind, be they God or some dictator, the end result will be the same: living your life in fearfulness of the entity, which is so great that the meaning of the rule you are supposed to unconditionally obey is overwritten by this angst.

God says you must honor your father and your mother and if you do not, you will surely burn in Hell. Thus your parents’ suffering under your lack of reverence will carry less weight than your own suffering faced with the gruesome prospect of the punishment should you fail. The required answer to the question “Why must you honor your father and your mother?” would then be: “Because they are great people, who care for me throughout my childhood and see to my every need”, but the unspoken honest answer runs: “Because if I do not I shall be cast in purgatory”.
The answer to the question put to a North Korean: “Why do you cheer your supreme leader?” will be answered out loud  as follows: “Because he is a great leader who dedicates his life to the well being of us, his people”, but in the silence of their thoughts their true answer will flash through them: “If I do not I shall be seized and deported to  hell on earth”.

So much for a reign of terror, the perfect condition for creating people who don’t love out of love but to escape a gruesome fate. What else is this but moral blackmail? And what is this love worth?

Amsterdam, dinsdag-Tuesday 16-06-20

For English scroll down

22.20 cezt

Enige dagen gelden bekeek ik de Veit_Harlan film, “Jud Süß”, uit 1940, vervaardigd in opdracht van Joseph Goebbels (citaat uit Wikipedia). Ik vond hem op het Internet Archief, nadat ik op het spoor was gezet in een der artikelen over Nazi Duitsland die ik recentelijk wat nauwkeuriger ben gaan bekijken. Het gelijknamige boek, geschreven door Duits-Joodse auteur Lion Feuchtwanger is gebaseerd op een klein incident in de Duitse geschiedenis, waar een Jood, Joseph Süß Oppenheimer, er in slaagt een dikke vinger in de financiële pap te krijgen aan het hof van Karl Alexander of Württemberg, als een hof Jood (“Court Jew “, gelieve op de link te klikken om te lezen over deze, relatief weinig bekende status gedurende de Late Middeleeuwen en daarna). Wanneer Karl Alexander plotseling overlijdt, blijkt dat Oppenheimer de handel in onmisbare goederen heeft gemonopoliseerd, waarbij de Württembergers, hoge belastingen worden opgelegd, overigens richtte hij een bank op en een porseleinfabriek. Hij werd beschuldigd van verduistering van grote sommen geld, zich te hebben beziggehouden met gokken en het onderhouden van wellustige relaties met de dames aan het hof, plus dat hij het katholicisme wilde “herintroduceren”. Hij werd gearresteerd, en ter dood veroordeeld, alhoewel zijn schuld niet bewezen werd, en men bood hem de kans om zich te bekeren tot het Christendom tweemaal, de tweede keer net voordat de beulen hem naar het schavot brachten, maar hij bleef standvastig en schudde zijn hoofd toen hij het nog kon schudden, op de vierde februari 1738. Hij werd in een kooi gezet, zijn nek vastgeklonken aan de koepel van de kooi met een strop, de kooi werd hoog opgehesen, de bodem werd onder zijn voeten vandaan getrokken en aldus verliet de onfortuinlijke Oppenheimer deze wereld. De kooi werd toen opgehangen net buiten Stuttgart gedurende zes (jawel 6) hele jaren, “tot de inauguratie van Karl Eugen, Hertog van Württemberger, die de snelle teraardebestelling van zijn lijk op een onbekende plek toestond” (uit Wikipedia).

In de loop van mijn naspeuringen ontdekte ik dat Feuchtwanger en na hem Harlan, niet de enigen waren die zich geïnspireerd voelden door deze episode in de Duitse geschiedenis. En hoe is het allemaal begonnen, voor het eindigde, tenminste tot dusver met de Veit Harlan dramatisering?

Wilhelm Hauff was de eerste om de episode te gebruiken in zijn novelle Jud Süß in 1827 – daarin “gelooft” Oppenheimer dat hij een Jood is, om er vervolgens achter te komen dat hij dat niet is, niet ver af van het ogenblik van zijn arrestatie, nadat zijn moeder hem opbiecht dat hij de onwettige telg is uit haar affaire met een niet-Jood een Duitse edelman. Toch schrijft zijn trouw aan de gemeenschap waarin hij opgroeide het hem voor om zijn niet-Joodse afkomst voor zichzelf te houden, en zo valt de dood hem toe (Feuchtwanger beschreef de poging van Hauff als “op een naïeve manier antisemitisch”), Trouwens, ik bespeur een onnauwkeurigheid: het is nog maar de vraag of enigerlei partij, hetzij christenen dan wel Joden zijn niet-Joodse status zouden hebben erkend, wegens de regel van matrilineaire afstamming binnen het Jodendom: alleen mensen die geboren worden uit een Joodse moeder worden als Joden door geboorte beschouwd.

Vervolgens kwamen Ashley Dukes end Paul Kornfeld; hij dramatiseerde het onderwerp gebaseerd op Feuchtwangers boek, het werd op de planken gebracht in 1930. Ondertussen was het werk van laatstgenoemde al in druk verschenen, met groot succes, in 1931 al in 17  talen vertaald, slechts twee jaar voor de Nazis aan de macht kwamen. Feuchtwanger had niet beoogd om op antisemitisme te focussen in enigerlei opzicht maar meer op “ideen”, culturele contrasten en filosofische tegenstellingen en menselijke eigenschappen als het streven naar macht, hebzucht en zwakheid tegenover de verleiding  en hoe zijn hoofdpersonages , zowel de Jood als de christen hun aandriften onder controle houden, of liever, hoe ze daarin falen. Aldus kunnen we concluderen dat Oppenheimers Joods-zijn niet meer dan een toevallige bijkomstigheid was, het had een christen die in zijn schoenen stond net zo goed kunnen gebeuren (ALS dat al Feuchtwangers mening was geweest dan zou ik daar vraagtekens bij hebben geplaatst aangezien Oppenheimer de positie van financieel adviseur had gekregen juist *vanwege* politieke en financiële bekwaamheden, die gewoonlijk aan Joden worden toegeschreven, vandaan dan ook de bestaande status van “hof-Jood”. Echter, er staat genoteerd dat de inhoud van de novelle, de roman en de twee films de historische bronnen in het “Landesarchiv Baden-Württemberg” slechts “losjes” volgen. Ik zou bijna zeggen: daar ga je al…. de onderscheiden schrijvers, c.q. film makers hebben zich op dit materiaal gestort om hun eigen persoonlijke stempel op de episode te drukken en ofwel met opzet ofwel onopzettelijk zich deze vorm van “artistieke vrijheid” aangewend om hun doel te dienen. Je vraag je af hoe ver ze uit elkaar liggen, “vertekening” en “interpretatie’.

Ondertussen, in de loop van het schrijven aan het bovenstaande, kon ik mijn onderzoek afronden (zo’n beetje) na het bekijken van de Lothar Mendes verfilming, ook gevonden in het Internet Archief. Wikipedia vertelt mij dat dit een getrouwe versie is van Feuchtwangers boek.

Het was al ruimschoots duidelijk, vanaf de eerste scenes, dat Veit Harlan op niets anders gebrand is dan slechtheid, voor zover het de uitbeelden van de Joden betreft: een haveloos, vuil zootje die de smalle straten van de Joodse buurt bevolkt, de vrouw die uit het raam hangt heeft een hoerig voorkomen, en zij wordt door een of ander oud individu met krassend stemgeluid, slordig wit haar om zijn onnatuurlijk bleke gezicht dat hij uit het raam ernaast steekt, geboden zich aan te kleden  en nergens is er enig teken van de “fatsoenlijkheid” die het huishouden van het christelijke raadslid Sturm uitstraalt, die met zijn, zeer Arisch uitziende, dochter en zijn rechtschapen aanstaande schoonzoon leeft, geworteld in Arische waarden. Harlans Oppenheimer is een listige gast, hij kijkt uit sluwe, onbetrouwbare ogen, zijn mond vertrekt in een onplezierige glimlach, we horen een huilerig ondertoontje wanneer hij spreekt en zijn lichaamstaal heeft iets stiekems.  Alles wat hij doet is een weerklank van honger naar macht, geld en goederen, zinnen die in de film worden uitgewisseld tussen Joden geven blijk van hun vijandigheid jegens niet-Joden – Süß en individuen als hij worden afgeschilderd als genadeloze elementen van een samenleving die zich door niets laten tegenhouden in hun zoektocht naar macht om het uiteindelijk te gebruiken voor hun eigen egoïstische en raciale doeleinden. En verder, al vroeg in de film, wanneer hij een lift krijgt van de eerdergenoemde Arische dochter, is hij er als de kippen bij om duidelijk te maken dat hij op haar geilt, al blijft hij netjes, en zo worden we gewaarschuwd voor de gevaarlijke wellust van de Joodse man – dit vind uiteindelijk  zijn hoogtepunt (onbedoelde woordspeling) in de verkrachting van de Arische dochter, dewelke zonder aarzeling een zelfverkozen dood door verdrinking kiest.

De persoon van Karl Alexander is niet bepaald vleiend neergezet: dik en lui, heeft het buskruit niet uitgevonden, maar toch nog net geen onbenul, belust op eten en drinken en… de dames (die Oppenheimer desgevraagd aan hem moet leveren); je zou kunnen zeggen dat “Wein, Weib und Gesang” zijn levensmotto is, en daarbij een onlesbare dorst naar macht, in de verwachting dat die zal worden gelest door “zijn” Jood. Tenslotte, na een serie gebeurtenissen, alle gericht op een staatsgreep met als doel Karl Alexander te installeren als absoluut heerser, komen de  stedelingen van  Württemberg  in opstand – gedurende de insurrectie krijgt Karl Alexander een noodlottige hartaanval en men arresteert  Süß . Hij wordt veroordeeld alhoewel niet voor fraude, machtsmisbruik, en bedrog bij gebrek aan afdoende bewijs maar één ding kan worden bewezen: hij heeft een wet overtreden waarin wordt gestipuleerd dat het Joden verboden is om seksuele relaties met christelijke vrouwen te onderhouden, vanzelfsprekend om het “reine” Duitse bloed niet te vervuilen. En *dat* dan wordt beschouwd als de ultieme misdaad, zo veel erger dan stelen, zwendel en bedrog en kan dus ook worden bestraft met executie.

De Lothar Mendes versie, Engeland 1934, neemt een heel andere houding aan: al meteen worden de Joden getoond als humaan, idealistisch, strevend naar een betere wereld in de openingsscène, waar een Joodse jongetje in een klaslokaal regels opzegt over het vertrek naar het land van “melk en honing”; hij plaatst er vraagtekens bij, indachtig het sombere leven in het getto. De leraar, zilverwit, glanzend haar en baard omlijsten zijn vriendelijke, wijze gezicht, er brandt het licht van mededogen in zijn zachtaardige ogen (!), vertelt hem, dus de jongen, dat hij zijn “afkomst” nooit zal kunnen verloochenen, en dat hij zijn geloof moet hooghouden; op een dag zullen de muren misschien ineenstorten en de wereld zal één zijn. Sympathie voor de Joden moest de kernboodschap van de film worden, gezien de opkomst van het antisemitisme op het Vasteland, vandaar het uitbrengen van contrapropaganda.
De Oppenheimer van Mendes is lang en tanig, zijn strenge gezicht veronderstelt veel strijd en dilemma’s, zijn diepliggende ogen, alhoewel eerlijk (!) branden van ongekende verlangens. Niet ver in de film verklaart hij tegenover, ik meen zijn oom, dat hij “macht” wil, na een leven van constante onderdrukking en angst onder zijn lotgenoten, de macht om zijn volk te “verheffen” en eerbare levens te leven, weg van de grauwheid in het getto in voorspoed en waardigheid. Tot zover.
Net als in de nazi film voldoet Oppenheimer aan de wensen van de hertog, en de buitensporigheden duren voort, laatstgenoemde eist meer kostbaarheden, meer rijkdom en meer macht. En “zijn Jood” maakt het allemaal in orde, terwijl hij affaires onderhoudt met de dames van het hof. Middelerwijl blijk dat Oppenheimer een buitenechtelijke tienerdochter heeft die een geheim leven leeft, verzorgt door haar oom, die er bij hem op aandringt haar te bezoeken. Hij stemt toe met tegenzin. Het gevalt dat de hertog de wind krijgt van dit feit en evenzo de verblijfplaats van het meisje. Hij gebruikt een ladder om toegang te krijgen tot haar slaapkamer via het open raam op de eerste verdieping en begint, inderdaad, heel duidelijk te maken dat hij op haar ‘geilt’, ofschoon de daadwerkelijke verkrachting geen doorgang vindt; niet omdat de hertog tenslotte toch een heer blijkt te zijn, maar omdat het meisje de kamer uit vlucht, het dak op klimt en kennelijk naar beneden springt; na een zoektocht vinden de hertog en een terreinwachter haar levenloze lichaam in een tulpenperk.
Ook in deze versie komen de mensen in opstand en Oppenheimer wordt gearresteerd en ook hier kunnen de aanklachten (fraude, verduistering, bedrog en zo meer) niet bewezen worden, maar een bepaald raadslid bladert door een oud wetboek en ontdekt de gewraakte paragraaf, over de “misdaad” waar een Jood een christen vrouw penetreert. Aldus staat Oppenheimer executie te wachten, uitgevoerd op dezelfde wijze als in de Harlan film, publiekelijke onthoofding in een kooi.

(Ik moet bekennen dat de aanloop tot wat ik te zeggen heb over deze twee films, buitenproportioneel lang is – het oorspronkelijke plan behelsde dat ik mijn kijk daarop zou weergeven, maar om de een of andere reden leek het mij juist een groot brok achtergrond informatie bij te voegen;  en dit nu begon mij te verslinden. Zoals stilstaan bij een specifiek recept voor een speciale schotel, je haalt de niet bijzonder gewone ingrediënten in afgelegen winkels, je koopt de geschikte potten en pannen in weer andere winkels, en natuurlijk moeten de dranken die bij de schotel horen, toch nog elders worden gekocht, wat nog weer meer tijd opeist voor winkelbezoek, tenslotte besteed je een gehele dag aan de bereiding van de schotel, triomfantelijk draag je de dampende schaal naar de eetkamer, je zet hem op de gedekte tafel… het volgende is dat jij en de gasten korte metten met de schotel hebben gemaakt in amper tien minuten. Boem.)

Meteen na het zien van de Veit Harlan film, kon ik mijn ogen niet geloven: moest dit een satire verbeelden op de visie van Jodenhaters op Joden? Oppenheimer en zijn volksgenoten schenen geparodieerde prototypen, net als de Arische dochter en schoonzoon, iets wat een intelligent persoon in feite niet ernstig zou kunnen nemen. De enige conclusie zou dan moeten zijn dat het beoogde publiek niet al te snugger zal zijn geweest, of anders de slachtoffers van ernstig hersenspoelen, indoctrinatie, tezamen met onderliggende angst, of een beetje van alles. Citaat uit Wikipedia: “Heinrich Himmler ordered that the film be shown to SS units about to be sent against Jews, to non-Jewish populations of areas where Jews were about to be deported, and to concentration camp guards.[76] Children under the age of fourteen were prohibited from seeing the film. There were reports of anti-Jewish violence after audiences viewed the film; in particular, teenagers seemed particularly prone to be instigated to violence by the film.[77]Stefan Baretzki, a guard at Auschwitz concentration camp, later said that after they were shown Jud Süß and similar films, guards would beat up Jewish prisoners the next day.”
Waar ik mij het hoofd over breek is het feit dat, in plaats van een geheel NIEUW script te schrijven, wat niets te maken had met wat er ooit  daarvoor verschenen was, de Nazi’s een reeds bestaande gebruikten, waarin de hertog, een normale Duitser, werd uitgebeeld als een verwarde, min or meer voortdurend aangeschoten, onbeheerste gast, loerend naar vrouwen en die niet alleen zijn financiën maar zichzèlf uitleverde aan een Jood, dus een onbetrouwbaar, sluw, listig, boosaardig individu, geheel volgens het heersende beeld van Joden. Wat is hier de boodschap: “Kijk eens naar deze stomme Duitser mensen, die als was in de handen van de slimme Jood is!”? Ik zou dat geen slimme manier vinden om een vertegenwoordiger van het Arische ras aan het publiek voor te stellen.

Wat volgt: de Lother Mendes inspanning – welnu, alhoewel ruimschoots voorzien van liefde en begrip, is er ook iets mis met dat stuk, waar Oppenheimers edele bedoelingen ons door de strot worden geduwd: “Hier ziet u hoe de alom gehate Jood, zijn list en niet zeer prijzenswaardige trekken benut om zijn mede-Joden uit het hellegat van het getto te trekken en hen een beter leven te geven, dus schijnt bedrieg!” Dus nu kijken we naar weer een ander prototype, maar deze keer heeft de schurk een witte hoed op om hem van zijn daden vrij te stellen. De hertog in deze versie verschilt niet van Veit Harlans hertog, ook een verwarde, drinkende, rokkenjagende, slecht beheerste sukkel en weer, ik begrijp niet helemaal waar de motivatie vandaan komt om de hertog op deze manier neer te zetten;  de boodschap in beide films zou zoveel sterker zijn geweest (dat was immers de bedoeling) wanneer Oppenheimer niet tegenover iemand was geplaatst die zo ver beneden hem stond qua intelligentie (afgezien van een vleiender beeld van de Ariërs, wat niet de bedoeling schijnt te zijn geweest, wat raar is, althans in Veit Harlans versie ).
(In elk geval willen beide films ons doen geloven dat noch Ariers noch Joden boven verkrachting staan: Veit Harlan laat de Jood de Arische dochter verkrachten en Lothar Mendes laat de hertog een poging ondernemen om de Joodse dochter te onteren.)

En dan  te bedenken dat Lion Feuchtwangers roman in feite bedoeld was om niet-Joden en Joden samen te brengen, onder de boodschap dat beide behoren tot de mensheid met alle zwakheden die inherent zijn aan het soort.

Tot besluit: ondanks het hopeloze antisemitisme in Veit Harlans idiote film, en idem, in weerwil van het sausje van idealisme dat  Mendes over zijn poging had gegoten om de opkomende lelijkheid tegenwicht te bieden, leverden de acteurs en bewonderenswaardige prestatie, wat feitelijk de reden was waarom die drie uur laptop bios mij niet veroordeelden een en ander “uit te zitten”

 

Joseph Süß Oppenheimer
Source

 

ENGLISH

 

22.20 cest

Some days ago I watched the Veit_Harlan film “Jud Süß”, from 1940 made at the “behest” of Joseph Goebbels (quoting Wikipedia). I found it on the Internet Archive, after being set on its trail in one of the articles about Nazi Germany that I had been giving a closer look recently. The book of the same name, written by the German-Jewish author Lion Feuchtwanger, is based upon a minor incident in German history, where a Jew, Joseph Süß Oppenheimer, succeeded in getting a big finger in the financial pie at the court of Karl Alexander of Württemberg as a Court Jew (please click on the link to read about this, relatively unknown, status during the High Middle Ages and later). When Karl Alexander suddenly passed away, it appeared Oppenheimer monopolized the trade of essential goods, heavily taxing the Württembergers, besides founding a bank and a porcelain factory. He was accused of embezzling large sums of money, getting into gambling, as well as carrying on lecherous relationships with the ladies at the court, plus trying to”reestablish” Catholicism. He was arrested, sentenced to death despite his guilt not proven, offered the chance to convert to Christianity twice, the second time just before the henchmen led him to the gallows, but he remained steadfast and shook his head while he could still shake it on the fourth of February 1738. He was put in a cage, his neck fastened to the dome of the cage by a noose, the cage was hoisted high, the bottom was pulled out from under his feet and thus the unfortunate Oppenheimer left this world. The cage was then suspended just outside of Stuttgart, for six (yes, 6) whole years “until the inauguration of Karl Eugen, Duke of Württemberg, who permitted the hasty burial of his corpse at an unknown location” (from Wikipedia).

In the course of my research I discovered that Feuchtwanger and after him Harlan were not the only ones to find themselves inspired by this episode in German history. So how did it all start, before it all ended, at least up to the Veit Harlan dramatization?

Wilhelm Hauff, was the first to use the episode in his novella Jud Süß in 1827 — in it Oppenheimer *believes* he is a Jew, only to learn he is not close to the moment of his arrest, after his mother’s confession that he was the illegitimate offspring out of her affair with a gentile, a German nobleman. Yet his loyalty towards the community he grew up in dictates him to not reveal his non-Jewish parentage, thus death is his due (Feuchtwanger described Hauff’s effort as “naively antisemitic). For that matter, I detect an inaccuracy: it remains to be seen whether any party, either Christians or Jews, would have acknowledged his non-Jewishness, on account of the rule of matrilinear descent in Judaism: only people who are born out of a Jewish mother are considered Jewish by birth.

Next came Ashley Dukes and Paul Kornfeld; he dramatized the subject based on Feuchtwanger’s book, it was staged in 1930. Meanwhile the latter’s work was already in print, meeting with great success, in 1931 it had been translated into 17 languages, only two years before the Nazis came to power. Feuchtwanger had not intended to focus on antisemitism in any way, but rather on “ideas”; cultural contrasts and philosophical oppositions and such human traits as the striving for power, greed and weakness before temptation and how his protagonists, both the Jew and the Christian, handle their urges, or, rather, how they fail. Thus we could conclude that Oppenheimer’s Jewishness was a mere coincidence, it could have happened to a Christian standing in his shoes just the same (IF that had been Feuchtwanger’s opinion, I would question it since Oppenheimer had come into the position of financial advisor precisely *because* of his mastership in politics and finances, commonly attributed to Jews, hence the then existing status of “court Jew”). However, it is stated that the content of novella, novel and the two screenplays only “loosely” correspond to the historical sources at the “Landesarchiv Baden-Württemberg”. I am tempted to say: there you go…. the various writers, c.q. film makers have descended upon this material to forthwith press their own personal stamp on the episode, and either intentionally or unintentionally used this form of “poetic license” for shaping it to suit their purpose. You wonder how far apart they are, “distortion” and “interpretation”.

Meanwhile, in the course of writing the above, my research was completed (sort of), after watching the Lothar Mendes’ screen adaptation, also found on the Internet Archive. Wikipedia tells me that this version follows Feuchtwanger’s book closely.

It had already become abundantly clear, from the first scenes, that Veit Harlan is bent on nothing but badness, insofar as it concerns portrayal of the Jews: a ragged, filthy bunch populating the narrow streets of the Jewish quarter, the woman hanging out of the window has a whorish demeanor, and is told by some elderly, croaking individual with unkempt white hair around his unnaturally pale face sticking out of the window next to her to “get dressed”, and nowhere is any sign of the “respectability” which emanates from the household of the christian member of the Duke’s council, living with his daughter (could not be more Aryan, blond, blue eyed, fresh faced) and his righteous son-in-law to be, entrenched in Aryan values. Harlan’s Oppenheimer is a sly guy, looking out of cunning, shifty eyes, his mouth will smile an unpleasant smile, there’s the undertone of a whine when he speaks and his body language hints of stealth. Everything he does echoes a hunger for power, money and goods, lines in the film exchanged between Jews reflect their hostility to gentiles — Süß and individuals like him are made to resemble ruthless elements of society who will stop at nothing in their quest for power, to ultimately use it for their own selfish racial ends. Furthermore, early on in the film, getting a lift from the aforementioned Aryan daughter in her horse drawn cart, he is quick to convey his fancy to her, but not going so far as ‘getting fresh”, thus we are warned about the dangerous lustfulness of the male Jew — which finds its zenith (no pun intended) in the rape of the Aryan daughter, who subsequently drowns herself.
The person of Karl Alexander is less than flattering: fat and lazy, not too bright, but still not quite a simpleton, all for food and drink and… the ladies (which he asks Oppenheimer to procure for him); you could say that “Wein, Weib und Gesang” is his life motto, together with an unquenchable thirst for power, thought to be lessened by “his” Jew. Ultimately, after a series of events, all focused on a coup d’état, aimed at Karl Alexander reigning as absolute monarch, the townspeople of Württemberg rise up — during the uprising Karl Alexander suffers a fatal heart attack and Süß is arrested. He is convicted, though not for fraud, misuse of power, deceit and gambling, seeing no proof can be provided, but one thing was found to be sufficiently proven: he had violated a law which stipulated that Jews are prohibited from having sexual relationships with Christian women, obviously to not pollute the “pure” German blood. And *that* then was found to be the ultimate crime, much more so than stealing, swindle and deceit and thus can be punished with execution.

The Lothar Mendes version, Britain, 1934, takes a totally different stance: straight off the Jews are shown to be humane, idealistic, striving towards a better world in the opening scene, where a young Jewish boy in a classroom recites lines about being taken to the land of “milk and honey”, which he questions, thinking about the gloomy life in the ghetto. The tutor, silvery, shiny hair and beard framing his kind and wise face, a compassionate light in his gentle eyes (!) tells him that he, so the young boy, can never turn away from his “heritage” and that he must uphold his faith; one day the walls might “crumble” and the world would be “one”. Sympathy for the Jews was to be the main message of the picture, seeing the rise of antisemitism on the continent, hence the release of counter-propaganda.
Mendes’ Oppenheimer is tall and lean, his austere face suggests many struggles and dilemmas, his deep-set eyes, though honest (!), burn with untold desires. Not too far into the film, he declares towards, I believe his uncle, that he wants “power”, after a life of the constant repression and fear amid his own kind, the power to “elevate” his people and live honorable lives, away from the bleakness of the ghetto, in prosperity and dignity. So far so good.
As in the Nazi version Oppenheimer complies with the duke’s wishes, and the extravagances continue, the latter demanding more valuables, more wealth and more power. And “his Jew” sees to it all, while carrying on affairs with the court ladies. Meanwhile it appears Oppenheimer has an illegitimate teenage daughter living a secret life, cared for by her uncle, who urges him to visit her. Reluctantly he agrees. It so happens the duke gets the wind of this fact and of the whereabouts of the girl. He uses a ladder to gain access to her bedroom through the open window on the first floor, and begins to “get fresh” with her, though the actual rape does not come through; not because the duke turns out a gentleman after all, but because the girl flees from the room, climbs to the roof and evidently jumps off it; after a search the duke and the grounds keeper find her, lifeless, in a bed of tulips.
In this version too, the people revolt and Oppenheimer is arrested and also here, the charges (fraud, embezzlement, deceit and such) cannot be proven, but one council member leafs through an old law book and discovers the challenged paragraph, about the “crime” of a Jew penetrating a christian woman. Thus Oppenheimer faces execution, which is performed in the same way as in the Harlan film, public beheading in a cage.

(I must confess that the lead to what I have to say about these two films, is disproportionately long — the original plan was to simply state my views on them, but somehow it seemed the right thing to include a huge chunk of background information; and that then began to devour me. Like dwelling on a specific recipe for a special dish, you get the not so very common ingredients from far away shops, you buy the right pots and pans in yet other shops and subsequently the right drinks to go with the dish, must still be purchased elsewhere, adding yet more shopping hours, finally you spend an entire day cooking the dish, triumphantly you carry the steaming platter to the dining room, set it down on the laid table…. next thing is that you and the guests finished the dish off in just ten minutes. Boom.)

Immediately after taking in the Veit Harlan film, I could not believe my eyes: was this a satire on how Jew haters might perceive Jews? Oppenheimer and his compatriots seemed like parodied prototypes, as did the Aryan daughter and son in law, something in fact that an intelligent person could not take seriously. The only conclusion would then be that the designated audience, cannot have been too bright, or else the victims of serious brainwashing, indoctrination, together with underlying fear, or a bit of everything. Quoting from Wikipedia: “Heinrich Himmler ordered that the film be shown to SS units about to be sent against Jews, to non-Jewish populations of areas where Jews were about to be deported, and to concentration camp guards.[76] Children under the age of fourteen were prohibited from seeing the film. There were reports of anti-Jewish violence after audiences viewed the film; in particular, teenagers seemed particularly prone to be instigated to violence by the film.[77]Stefan Baretzki, a guard at Auschwitz concentration camp, later said that after they were shown Jud Süß and similar films, guards would beat up Jewish prisoners the next day.”
What I cannot wrap my head around is the fact that instead of writing a whole NEW scenario, which had nothing to do with anything that had appeared before it, the Nazis used an existing one in which the duke, a regular German, was portrayed as a bumbling, more or less constantly inebriated, ill restrained guy, ogling at women and handing, not only his finances, but in fact himself over to a Jew, so an untrustworthy, shrewd, cunning, evil individual entirely according to the prevailing view of Jews. What is the message here: “Look at this stupid German folks, who is like putty in the hands of the smart Jew!” ? I would not call that a smart way to introduce a representative of their precious Aryan race.

Next: the Lothar Mendes effort — well, although amply stuffed with love and understanding, there is something wrong with that piece too, where Oppenheimer’s noble intentions are pushed down our throats: “Look, here you see the much hated Jew, using his cunning and not so very praiseworthy traits to lift his fellow Jews from the hell hole of the ghetto and give them a better life, so don’t judge this book by the cover!” So now we are looking at yet another prototype, but this time the villain wearing a white hat, to excuse his deeds. The duke in this version does not differ from Veit Harlan’s duke, also a bumbling, drinking, womanizing, uncontrolled fool and again, I don’t quite grasp the motivation for portraying the duke in this way; both films would have made a stronger statement (that being the intention) if Oppenheimer had not been placed opposite someone so far below him in intelligence (apart from presenting a more flattering picture of the Aryans, which seemed not to have been the intention, which is weird, at least in Veit Harlans film). Notable difference with Harlans version: his daughter and, as mentioned, the bit about Oppenheimer finding out about his non-Jewish parentage, him being the illegitimate child of a gentile father, thus he could have saved himself by presenting the proof, as contained in papers belonging to his mother. But no, Oppenheimer is too noble to betray the Jews, with whom he grew up, and at the last moment spoil his efforts to improve their lot.
(In any case, both films want us believe that rape is below neither Aryans nor Jews: Veit Harlan lets the Jew rape the Aryan daughter and Lothar Mendes lets the duke attempt to violate the Jewish daughter.)

In conclusion: despite the hopeless antisemitism in Veit Harlan’s idiotic film, and similarly, despite the sauce of idealism which Mendes’ had poured over his attempt to counterweight the ugliness on the rise, the actors did an admirable job, which in fact was the reason why those three hours of laptop cinema did not convict me to “sitting it through”.

And then to think that Lion Feuchtwanger’s novel was in fact meant to bring gentiles and Jews together, the message being that both belong to peoplekind with all the frailties inherent to the species.

.

 

 

Amsterdam, zaterdag-Saturday 13-06-20

 

 

21.43 cezt

Als je er eens bij stil staat…. ‘t Is toch een  merkwaardig verschijnsel, dat posten in “help forums”, de pagina’s vol vragen en antwoorden, die ieder zichzelf respecterende site heeft geconstrueerd opdat de leden van de “gemeenschap” elkaar hulp bieden bij problemen met betrekking tot de site. En waarom doen mensen het? Je zou denken dat ze  het doen om te “helpen”,nietwaar? Maar zo eenvoudig is het niet. In de loop van mijn eigen help forum carrière  heb ik gemerkt dat de “forumgasten” meest 65-plussers zijn of in elk geval niet te ver er van af, met een redelijke hoeveelheid vrije tijd wat ze in een forum kunnen besteden aan het verlenen van eerste hulp, aan de, niet zelden, paniekerige, bezorgde, verbijsterde, boze of anderszins tijdelijk uit hun evenwicht geraakte leden, wegens gebrek aan kennis of site storingen.

Mensen ondernemen zelden iets vanuit één strak omlijnd motief, bijvoorbeeld: “En NU ga ik helpen in het forum omdat ik een super hulpvaardig iemand ben en dus wil ik helpen!” – meestal gaat het zo dat hij of zij eens een kijkje neemt in het forum, of om zelf iets aan de weet te komen en van lieverlee blijft hangen en van het een komt het ander.  Al  gauw zitten er een aantal mensen op een kluitje, gescheiden van elkaar door het witte stuk tussen de commentaren. Zou dat goed kunnen gaan? Het duurt niet lang of de spelers tekenen zich af: zo heb je leden die correcte informatie verstrekken, je hebt de leden die categorisch verkeerde antwoorden geven en die vervolgens door anderen wordt gecorrigeerd, wat op zijn beurt weer geluiden van misnoegen oproept bij bepaalde mensen die het de verbeteraars betwisten om het beter te weten met dat kleine zinnetje: “Ben jij hier de moderator?”

Er zijn leden wier taalgebruik lijkt op dat van een vierjarige (dan heb ik het niet over de “slachtoffers” van een online vertaaldienst), hetgeen leidt tot verwarring, maar je mag er niets van zeggen, op straffe te worden uitgescholden voor de “taalpolitie”, en dan is er het andere uiterste, leden wiens posten regelrecht uit de pen van een verstrooide professor lijken te komen, en om die reden niet altijd even begrijpelijk. Er zijn leden die te lui zijn om zelf een nieuwe draad te beginnen en liever hun afwijkende onderwerp aan een niet gerelateerde draad plakken, wat ook weer wrevel opwekt. Bij dit alles, nota bene, moet je altijd goedgehumeurd en beleefd blijven, moet je je terechtwijzingen altijd “verzachten” met een smiley of een stralende emoji; doe je dit niet, roep je al snel wrevel op, men bestempelt je als “agressief”, hoe netjes je je ook gedraagt (wat natuurlijk vreemd is, want binnen het persoonlijke contact zul je ook niet stralend glimlachen wanneer je iemand terecht wijst). In een Internet forum hebben mensen opeens tenen van een meter lang, het kan dus niet anders of je stapt er weleens op.

Wanneer de site geen forum moderator heeft aangesteld, dus iemand met de bevoegdheid in te grijpen en de bijbehorende aanduiding onder diens naam, dan wel eentje die slechts zelden zijn of haar neus laat zien, zal de orde worden gehandhaafd door de “senior leden” (in de zin van langste deelnemers aan het forum en meestal ook degenen met het langste lidmaatschap), die vanzelfsprekend bovenaan in de pikorde staan; uiteraard is dat op te maken uit hun trefzekerheid, hun kennis en hun toon. Rangordegevechten zijn talrijk, en worden beslecht met doorgaans subtiele of minder subtiele opmerkingen maar toch van zeer krenkende aard, wat ook de bedoeling is. In feite is hier sprake van een min of meer onmogelijke situatie, waar iedereen de baas is, en toch ook niemand (behalve die forum moderator dan, en in de meeste forums verschijnt deze pas ten tonele om in te grijpen, wanneer het eigenlijk al te laat is). Binnen een forum bestaat de ongeschreven regel dat iedereen elke deelnemer op de forumregels mag  wijzen, en iedereen mag aanmerkingen maken op anderman’s post om welke reden dan ook; toch heerst er voortdurend een sfeer van onderhuidse anarchie die elk moment door de oppervlakte heen kan breken – een haast onwerkbare paradox waarbij een bepaald lid het ene moment een medelid boven zich “duldt”  maar het andere moment diens onderwerping verlangt; ik verwijs naar de eerder genoemde gewraakte vraag: “Ben jij de Admin hier?”, en natuurlijk zijn die vijf woorden gelijk de knuppel in het hoenderhok.
Nog een fenomeen: kliekjesvorming, mensen die elkaar “gevonden” hebben zogezegd, en zichzelf als de harde kern van het forum presenteren. Ze zullen elkaar steunen door dik en dun, daarbij hun rangorde even vergetend, en zich tegen enkelingen keren wegens forum vergrijpen die ze van elkaar door de vingers zien. Iemand die als het zwarte schaap wordt beschouwd zal het niet redden, tenzij voorzien van kennis en doorzettingsvermogen, omgeven door een ijskoud  klimaat van hoon, minachting, bespotting en negeren. Sterk is diegene die ertegen opgewassen is.
(Het kan zelfs voorkomen dat het zwarte schaap nog door de forum moderator zal worden aangezien als de oorzaak van de onregelmatigheden, juist door zijn of haar directheid en onvermogen om de smerige spelletjes mee te spelen en in plaats daarvan vals spel zonder omwegen zal beantwoorden.)

Maar het meest opmerkelijke (en problematische) kenmerk van forums, c.q. help forums is dat deze een magnetische aantrekkingskracht hebben op personen die in het gewone dagelijks leven worstelen met persoonlijke en sociale problemen, vandaar dat ik in het begin de vraag stelde: waarom gaan mensen helpen in een help forum? Kort en goed: om datgene wat ze off line onderdrukken, eindelijk de  vrije loop te geven, of: “En NU ga ik helpen in het help forum omdat ik een super gefrustreerd persoon ben dus ik wil me afreageren!” (trouwens niet iets wat deze of gene onder hen ooit zal toegeven, omdat ze er zich slechts ten dele van bewust zijn, of zelfs helemaal niet, en het is sowieso verkieslijker om de meest vleiende kant van jezelf in de spiegel te zien). Niet letterlijk “iedereen” natuurlijk, maar het zijn er toch meer dan je zou denken, en ik durf te zeggen dat de”helpers”, zij die zonder achterliggende motieven gedreven worden door pure hulpvaardigheid een zeer kleine minderheid vormen. Veruit de meesten opereren vanuit een drang tot compensatie, de een in hogere mate dan de ander en bij sommigen zweeft de therapeut boven hun commentaren. De vertegenwoordigers van de laatste groep verpakken hun compensatiegedrag op een zeer vernuftige wijze, namelijk door nèt niet zo ver te gaan om de forumdraad te ontwrichten, maar toch ver genoeg om als een constante stoorzender het forum op de rand van ontwrichting te brengen (deze processen trouwens voltrekken zich bewust zowel als onbewust, naar gelang de intelligentie en zelfkennis van de persoon). Het zal niemand verbazen dat deze categorie forumgasten, dus de probleemgevallen, doorgaans, zo niet altijd, van het mannelijk geslacht zijn en dan bovendien met een neiging tot seksisme (overigens gaan die twee hand in hand: problemen en seksisme).  Ik heb dit in verschillende forums op verschillende sites meegemaakt, pure help forums maar ook discussiegroepen.

En dit vermogen, namelijk van de de fragiele ego’s, de egotrippers, de opscheppers, de verliezers, de seksisten, de racisten, de pestkoppen, de psychopaat-van-hiernaast, de borderlines en de jaloerse forumdames om hun kwaad op kousenvoetjes te zaaien, maakt dat het haast onmogelijk is voor de forum moderator de sneers, de beledigingen, de valsheid, de steken onder water aan te pakken, ALS hij of zij er al oog voor zou hebben. Het is vrij makkelijk om duidelijke gevallen van schelden, onwelvoeglijke taal, vijandigheid en meer van zulke *aantoonbare* overtredingen van het “blijf vriendelijk” ethos, al dan niet omschreven in de forumregels, af te straffen, maar het sluipende kwaad is een heel ander verhaal.

De moraal: weet waar je aan begint wanneer je uit pure hulpvaardigheid een Internet forum opzoekt. Meestal kom je terecht in een bolwerk waar al die elementen uit de opsomming in bovenstaande alinea, ik herhaal: de fragiele ego’s, egotrippers, opscheppers, verliezers, seksisten, racisten,  de psychopaat-van-hiernaast, de borderlines niet te vergeten de jaloerse dames, de boventoon voeren. Wees gewaarschuwd. Gevoelige zielen kunnen beschadigen oplopen. En dan hebben ze een probleem….

 

ENGLISH

21.43 cest

Come to think of it… ‘t Is a funny phenomenon this posting in “help forums”, those  pages full of questions and answers which every self respecting site has constructed for the members of the “community” to assist each other with problems pertaining to the site. Now why do people do it? You would think that they do it to “help”, right?. But it is not that simple. In the course of my own participation of help forums I have noticed that the “regulars” are largely older people, say, retired, or in any case not too far away from it, with a reasonable amount of spare time on their hands to spend in the forum for lending their first aid to the, not rarely, panicky, worried, stumped, angry or otherwise temporarily imbalanced fellow site members due to lack of knowledge or sudden bugs disturbing their site session.

People rarely undertake something out of just one tightly framed motive, for instance: “And NOW I am going to help out in the forum because I am a super helpful person and so I want to help!” – the way it goes is they take a look in the forum, or to find an answer to a problem they ran into and over time get to hanging around and the one thing leads to another. Pretty soon you’ll have a bunch of people crowded together and separated from one another by the white space between the comment boxes. Could that work out well? It won’t be long before the players will begin to show contours; there’s members who provide correct information, there’s members who categorically get it wrong and who will subsequently be corrected by the others which in its turn triggers sounds of discord among certain people who begrudge the “nit pickers” their correction by that little question: “Are you the moderator here?”

You have members whose grammar and spelling resembles that of a four year old (no, I am not referring to “victims” of an online translator), which can lead to confusion, but any critic will be told off as the “grammar police’ and then there is the other extreme, members whose posts seem to flow straight from the pen of an absent minded professor, and frequently not comprehensible and let’s not forget the members too lazy to create a new thread and rather stick their deviant subject to a non-related thread, which again incites annoyance. Notwithstanding all of this you need to always remain good humored and polite, you need to “soften” your reprimand with a smiley or a beaming emoji; failing to do so you will invoke testiness, they will stamp you as “aggressive”, no matter how decent you behave (of course such a requirement is weird, because in personal contact you would not beam or smile sweetly either when rebuking someone). In an Internet forum people suddenly  grow  toes a yard long, thus  stepping on them at some moment is inevitable.

In the event the site has not installed a forum moderator, someone with the authority to step in, sporting an indication of such below their name, or else one who rarely shows up, order will be maintained by the “senior members” (in the sense of the longest participating forum members and mostly they will also hold the longest site membership), who obviously populate the top of the pecking order, as you can infer from their accuracy, their knowledge and their tone. Power struggles occur frequently and are generally settled with subtle or less subtle remarks but yet of a grieving nature, which of course is intentional. In fact here is a more or less impossible situation where everyone and yet no one is the boss  (save for the forum moderator who, in most cases, will appear at a moment when it’s already too late). Within a forum there exists the unwritten rule that every participant can refer each and any fellow participant to the forum rules, and everyone may find fault with everyone  else’s comment, in any which way. Still there is the prevailing atmosphere of subcutaneous anarchy which can break through to the surface at any moment – a well-nigh unworkable paradox  whereby a certain member will suffer a fellow member above him or her at one moment but will demand their submission at the next; see the aforementioned question: “Are you the Admin here?”, and of course those five words are enough to drop the bomb.
Another phenomenon: cliques, the people who “shared” a wink so to speak and present themselves as the core of the forum. They will support each other through thick and thin, forgetting their hierarchical issues for a moment, and turn against outsiders due to forum crimes which they will pardon among themselves. Someone considered  the black sheep will not cut it, unless possessing knowledge  and tenacity, surrounded by an icy cold climate of derision, contempt, mockery and ignoring. Strong is the one who can stand up to it!
(It can even come to pass that the forum moderator will take the black sheep as the cause of the altercations, precisely due to his or her  inability to engage in the dirty games and instead address foul play in a direct way.)

But the most remarkable (and problematic) characteristic of forums, c.q. help forums is that these hold a magnetic attraction for individuals who struggle with personal and social problems in daily life, hence my initial question: why do people help in a help forum? The short answer is: to finally give free rein to all of what they suppress off line or: “And NOW I am going to help out in the help forum because I am a super frustrated person so I want to unload!” (which btw isn’t something any one of them will ever admit, because they only partly realize or even not at all, and anyway, it IS more preferable to see the most flattering side of yourself in the mirror). Not literally everyone of  course but still more than you would think, and I dare say that the “helpers”, those who are driven by pure helpfulness, lacking any ulterior motives form a very tiny minority. By far most stick around out of an urge to compensate, the one to a greater degree than the other and in the case of some you can virtually see the therapist hovering above their posts. Representatives of the latter group handle their compensation behaviour quite  shrewdly, namely by not going so far as to derail the forum thread but still far enough to bring the forum on the brink of derailment by constantly operating their jammer (as I noted, these processes by the way, are both conscious and unconscious, depending upon the intelligence and self-awareness of the person). It will not surprise anyone that this category of regulars, so the problem cases, are mostly, if not always, males and then leaning towards sexism (for that matter, those two go hand in hand: problems and sexism). I have been observing this in different forums on various sites, purely help forums but also discussion groups.

 

And this capacity, namely of the fragile egos, the ego trippers, the braggarts, the losers, the sexists, the racists, the bullies, the psychopath-next-door, the jealous forum ladies and the borderlines to sow their evil on tiptoe and stockinged feet, makes it well-nigh impossible for the forum moderator to tackle the sneers, the insults, the falsity, the stab on the sly, IF he or she would have an eye for it. It is comparatively easy to punish clear cases of abuse, profanity, hostility and more such *demonstrable* transgressions of the “stay friendly’ ethos, either or not outlined in the forum rules but the insidious fiendishness is quite a different story.

The moral of the tale: know what it is what you’re getting into when you navigate to a forum to help, out of the purity of your “helpfulness”. Mostly you’ll end up in a grim fortress, where all the elements in the enumeration in the paragraph above, repeat: the fragile egos, ego trippers, braggarts, losers, sexists, racists, the bullies, the psychopath-next-door and not to forget the borderlines and the jealous ladies, will play first fiddle. Be warned. Sensitive souls might be damaged and then they have a problem….

 

 

 

Amsterdam, woensdag – Wednesday10-06-20

 

 Zwart  bakeliet, jaren ’50/’60 

Foto: ChristosV / CC BY-SA

12.23 cezt

Ik stuitte op een artikel over de eerste telefonisten, in de tweede helft van de negentiende eeuw, 1878 om precies te zijn, toen Bell dat hele nieuwe ding lanceerde: de telefoon. Er verscheen een glimlach op mijn gezicht – ik zag het helemaal voor me, de janboel achter de schermen, in de centrale, waar een stel tienerjongens het publiek verbond, dat de nieuwe technologie gretig benutte om met elkaar te spreken zonder elkaar te zien, asjemenou!  De jongens waren special uitgekozen om deze geheel nieuwe baan uit te voeren, aangezien ze werden beschouwd als lenig, snel en sterk; het verbinden van de bellers vereiste dat de juiste draden werden beetgepakt, en in het juiste contact in de centrale werden gestoken, en dan ook nog in een behoorlijk tempo; dikwijls waren er meerdere jongens benodigd om één oproep tot stand te brengen. Dus gedurende twaalf slopende werkuren was het alsmaar “rekken, knielen” en staan”. De jongens gedroegen zich baldadig, ze spraken op schreeuwerige toon, ze waren ongemanierd en ze hielden ervan geintjes uit te halen met de bellers. En zo werd dit experiment als een totale mislukking afgeblazen. Bell Telephone liet de gedachten erover gaan en kwam tot de slotsom dat misschien het “zwakke” geslacht een grotere mate van decorum aan de dag zou leggen.

Uiteraard dacht ik meteen aan wijlen mijn moeder die telegrafiste en ook telefoniste was geweest (ik geloof iets na de oorlog). En ofschoon een goed opgevoede vrouw, was ze beslist niet tegen een grapje nu en dan; ik herinner mij dat ze me vertelde van die keer dat ze, omringd door enkele van de andere dames, alle grinnikend van verwachting, een verbinding maakte tussen twee mensen met dezelfde naam; a propos, die naam was “worm” (inderdaad, het slijmerige, glanzende dier met het voorkomen van een lange dunne tube). De menigte grappenmaaksters (nadat ze een collega bij de deur hadden laten posten of er geen supervisor naderde), luisterde met ingehouden adem, hun lachen onderdrukkend, toen een der wormen de ander verdacht van, je raadt het al… grappenmakerij – de dialoog escaleerde snel, en eindigde ermee dat beide “Wormen” krachttermen naar elkaar worpen. De goede oude slechte tijden hadden hun charme.
Tegenwoordig wordt je verbonden met de verkeerde namen door telefoon hackers die proberen weg te kronkelen met jouw zuur verdiende geld.

Over de telefoons op de afbeeldingen:
bovenstaand:  is een van de exemplaren uit mijn (bescheiden) verzameling, een zwart bakelieten draaischijf model daterend uit de jaren vijftig, helaas niet het origineel dat bij ons thuis stond; dat werd in beslag genomen door de PTT en vervangen door een ander model toen we daarom vroegen (in die dagen “kocht” je geen telefoon, je huurde er een).

onderstaand: ook weer een toestel uit de jaren vijftig, een luxe model, van wit bakeliet! Twintig jaar lang zocht ik naar dat model, uiteraard niet meer geleverd door de PTT, maar nog wel te krijgen in zaken voor nostalgisch spul en dan tegen honderden guldens, later euros. MAAR… maar op een dag begin mei 2011, vond ik het afgebeelde toestel op een rommelmarkt in Diemen… de prijs: 11 euro, ik dong af en mocht hem mee naar huis nemen voor 8. En dan deed hij het ook nog! Nog steeds wordt ik er op gebeld – hij geeft een prachtige muzikale rinkel, uniek en niet na te boosten.

 

 Wit bakeliet, jaren  ’50/’60

Foto: MabelAmber®

ENGLISH

12.23 cest

I came across an article about the first telephone operators, back in the second half of the nineteenth century, 1878 to be exact when Bell launched that whole new thing: the telephone. It brought a huge smile on my face – I could just picture the shambles behind the scenes, in the actual wire center, where a bunch of teenage boys connected the public, eagerly using the new technology to talk without seeing each other, fancy that! These boys were expressly chosen to handle this totally novel job, as they were considered to be nimble, quick and strong since connecting the callers required grabbing the right wires and plugging them in the right jacks in the switch board, and at a great pace too; frequently more boys were needed to accomplish one call. So for a grueling twelve hours a day they would be “stretching, kneeling and standing”. The boys were rowdy, they were raucous, they were rude and they loved playing pranks on the callers. Thus this experiment was blown off as a total failure. Bell Telephone did some thinking and came to the conclusion that perhaps the “weaker” sex would display a greater measure of decorum.

Naturally I immediately thought of my late mother who had been a telegraphist and also telephone operator (I believe some time after the war). And although a well bred woman she was definitely not averse to a prank now and then; I recall she told me of that time when she, surrounded by some of the other ladies, all grinning in anticipation, put two people with the same name through to each other; incidentally this name was “worm” (a not so very rare Dutch surname, and denotes, as in English, the long, narrow, tube-like slimy, glistening animal). The crowd of pranksters (having placed a colleague at the door, to watch out for the supervisor), listened with bated breath, suppressing their laughter as one of the two “worms” suspected the other of, as you can guess… pranking – the dialog quickly escalated, and ended with both “Worms” throwing expletives at each other. Good old bad old times had their charms.
Nowadays you’re put through to the wrong names by phone hackers attempting to wriggle away with your hard earned money.

About the telephones on the images heading and concluding the Dutch section:
topmost: this is one of the specimens from my (modest) collection, a black Bakelite dial model, dating back to the fifties, sadly not the original in our home; that was taken in by the telephone company and replaced by a different model when we asked for it  (in those days you did not “buy” a phone, you rented one);

at bottom:, a luxury model of white Bakelite! All through some twenty years I searched for that model, obviously no longer supplied by the phone company, but still available in shops vintage shops and then for prices in the hundreds. BUT… one day, beginning of May 2011, I found the depicted set at a flea market close by…. price: 11 euros, I bargained and could take it home for 8. En then it even worked! And still I receive calls on it – it emits a wonderful musical jingle, unique and matchless.

Amsterdam, dinsdag-Tuesday 09-06-20

16.12 cezt

Op verschillende sites zie ik politiegeweld door heel de VS, in de nasleep van de moord op George Floyd in Minneapolis – twee agenten geven een oudere man een duw, hij valt achterover en zijn hoofd slaat tegen de stoep, bloed begint uit zijn oor te lopen. De agenten lopen door. Andere, ik geloof lui in legeruniformen dragen er zorg voor dat de man overgebracht wordt naar het ziekenhuis. Een agent betast een vrouw onzedelijk, en wanneer ze zich bevrijdt uit het ongewenste lichamelijke contact met hem, wordt ze bruut in elkaar geslagen door zo’n drie agenten met wapenstokken die haastig toeschieten om de aanrandende collega “te helpen”. Dit zijn slechts  twee voorbeelden, maar er zijn veel meer meldingen van (onwettig) politiegeweld, bijvoorbeeld tegen werkers die zich niet aan de avondklok kunnen houden omdat zij in ploegendienst werken.

Mijn intuïtie, gesteund door statistieken zegt mij dat racisme niet werkelijk is geëlimineerd, het leeft voort bij een fors aantal mensen, onder de oppervlakte van politieke correctheid, die zij naleven om hun eigen belangen niet te schaden, in deze tijd, waarin er nochtans totaal geen sprake meer kan zijn van het ophangen van de zwarte medemens in bomen, en hen in brand te steken. Overigens was het tussen 1890 en 1930 algemeen geliefd om photo ops”te organiseren rond de dode lichamen van lynch slachtoffers, waarna de foto kon worden herdrukt en verkocht van deur tot deur, je zou kunnen zeggen dat deze visuele meldingen van blanke overheersing “viraal” gingen. Net als de tien minuten durende video geschoten door een zeventien-jarige getuige van de moord op George Floyd, die het hele Internet in z’n greep had. De vroegere ansichtkaarten waar ik het over had ontketenden waarschijnlijk geen verontwaardiging op grote schaal, integendeel; maar toch, hoeveel waren het er die het lynchen in stilte veroordeelden? Die zwijgende minderheid zal bestaan hebben, en, net als nu, was het “omgekeerde “politieke correctheid” die hun lippen verzegelde om hun belangen niet te schaden in een tijd waar het “de goede zaak” was om de zwart gekleurde medemens te onderdrukken.

Terwijl de video, die duidelijk laat zien hoe een blanke agent zijn knie IN de nek van een zwarte man drukt, die voorover op straat ligt, zijn gelaat in het asfalt, totdat de man dood is, mondiale verontwaardiging heeft opgeroepen… vraag ik mij af: hoevelen bekijken de video met stille voldoening, in plaats van de afschuw die hun tegenstanders aan de dag leggen? En welke groep mag zich de meerderheid noemen? Zou dat de zwijgende meerderheid zijn? Dezelfde mensen die, niet zo heel stilletjes, de ansichtkaarten kochten in de goede oude slechte tijd? Laten we nooit aannemen dat onmenselijkheid, wreedheid en barbaarsheid  alleen bij onze “onbeschaafde” voorouders leefden en dat de eenentwintigste mens niet in staat zou zijn tot onuitsprekelijke daden. De knie van Derek Chauvin kan ervan getuigen.

(Trouwens, what’s in a name… )

Hoe is eigenlijk de situatie in gebieden met een zwarte meerderheid aan de knoppen? Worden de witten dan uitgebuit, zijn armoede en een algehele oneerlijke behandeling hun deel? Heeft zo’n toestand ooit bestaan? Het zou omgekeerde discriminatie zijn om te geloven dat het nooit in het hoofd van de zwarte medemens zou kunnen opkomen om iemand te onderdrukken wegens de kleur van zijn of haar huid. We zijn allemaal mensen en delen dezelfde emoties en aandriften. Dan heb ik het niet over een situatie waar wraak op de vroegere onderdrukkers het motief zou vormen.
Nog even een dingetje: wie is in godsnaam begonnen met dat hele wit-boven-zwart gedoe??? Op welk punt in de wereldgeschiedenis, sinds de mens de mens werd? En waar? En waarom?

Het onderzoek gaat voort.

ENGLISH

 

16.12 cest

On various videos I see police violence throughout the US, in the aftermath of the George Floyd killing in Minneapolis – two cops giving an elderly man a shove, he falls over backwards and his head hits the pavement, blood starts pouring from his ear. The cops walk on. Others, I believe people in military uniforms see to it that the unfortunate man is taken to hospital. A woman being groped by a cop, and after she breaks loose from this unwanted physical contact, she is brutally beaten with batons by some three cops, rushing to “assist” their groping colleague. These are just two examples, but there are many more reports of (unlawful) police brutality, for instance against workers who cannot observe the curfew to the fact that they work in shifts.

My intuition, backed up by statistics, tells me that racism is not really eliminated, it lives on in a great number of people, under the surface of political correctness which they observe to not harm their own interests, in this day and age when hanging black fellow humans up in trees, and setting them on fire is nevertheless totally out of the question.
Matter of fact, between 1890 and 1930 it was quite popular to organize photo ops” around the dead bodies of lynch victims, after which the photo would be reprinted and sold from door to door; you could say that these visual reports of, white supremacy went “viral”. As did the ten minute video taken by the seventeen year old witness of the killing of George Floyd, across the Internet. The former postcards I spoke of did probably not sprak outrage on a large scale, on the contrary; still, how numerous were those who silently condemned the lynching? That silent minority must have existed, and just as now, “inverted” political correctness sealed their own lips to not harm their interests in a time where repressing the black skinned fellow human was ‘the right thing”.

While the video, clearly showing a white cop pinning his knee INTO the neck of a black man lying face down, his features pressed into the tarmac, till the guy was dead, has sparked global outrage…. I am wondering: how many watch the video with silent satisfaction, instead of the horror their vocal adversaries display? And which group may count itself the majority? Would that be the silent majority? The same people who, not so very silent, bought those postcards back in the good old bad old days? Let us never assume that brutality, cruelty and barbarism only existed with our “uncivilized” ancestors and that the twenty first century human would be incapable of unspeakable acts. The knee of Derek Chauvin can testify.

(For that matter,  what’s in a name…)

By the way, what about the situation in areas with a black majority that got hold of the handles? Are the whites then exploited with poverty and an overal unfair treatment on their plate? Did such  circumstances ever exist?  It would be reverse discrimination to believe that it could never ever enter a black person’s head to oppress someone because of the color of their skin. We’re all people sharing the same emotions and urges. Then obviously  I am not talking of a situation where revenge on former oppressors would be the motive.
Come to think of it, who in god’s name started this whole white-over-black thing??? At which point in history, since people became people? And where? And why?

The investigation will be continued.

 

Amsterdam, maandag-Monday 08-06-20

 

 

12.52 cezt

Druipt er bloed van deze dag? Of honing? Maar honing is voor de bijen die het nodig hebben om hen door de koude winters heen te loodsen, wanneer er geen bloemen zijn, de lucht is koud en streng. Bloed is warm wanneer het uit het lichaam sijpelt of spuit. Zevenendertig graden Celsisus, da’s warm, da’s echt warm.

De dag moet niet zijn bloed verliezen, het warme bloed dat hem in leven zal houden door heel zijn vierentwintig uren heen… Bid tot de machthebber om deze dag doorbloed te houden, om geen druppel te verliezen, om te blijven pompen, laat het hart van vandaag rood en sterk zijn.
En bloed… is zoet, als honing.

ENGLISH

12.52 cest

Is there blood dripping from this day? Or honey? But honey is for the bees, who need it to see them through the cold winters, when there are no flowers, the air cold and harsh. Blood is warm when it oozes or spouts from the body. Thirty seven degrees Celsius, that’s warm, that’s really warm.

The day must not lose its blood, the warm blood that will keep it alive throughout all of its twenty four hours.. Pray to the power that is to keep this day full blooded, to not lose a drop, to keep on pumping,  let the heart of today be red and strong.
And blood… is sweet, like honey.

Amsterdam, zaterdag – Saturday 06-06-20

19.07 cest

Between the “Hello World!” post, created on October 6 2010 and this one, there exist 2390 posts, the vast majority of which have been read by many people, since up to last year those posts were publicly accessible. However, it came to pass that a contemptible individual picked up on this blog. In order to shield myself against possible abuse  I chose to make each and every post private, only lending access to certain ‘chosen’ people.

By the way, it turned out I was not  mistaken – some year later this individual did indeed harass me be it using certain information he had dug up elsewhere on the Net of which I had forgotten I had supplied it there. Thus I would advise all those considering frankness about themselves and their personal lives on the Internet: don’t. Your candidness will be abused and/or used against you. The Net is swarming with people, going under the name of “trolls” (which come in many guises) who seek to compensate for their unresolved off line failures, disappointments and frustrations in forums and comment boxes on social platforms. From my personal experience and also from what I have been able to observe in the thirteen years that I frequent the Internet (daily and extensively, I surf around), most of these elements are male. Beware, and for anything which might be considered personal, regard the Internet as an entity which you should avoid at all cost.

 

 

Hello world!

Welcome to WordPress.com. This is your first post. Edit or delete it and start blogging!