Amsterdam, zond.op maand. – Sun. on Mon – 23-24-07-17

01.51
Chris Froome heeft de Tour gewonnen. Maar dat zou niet zo moeten zijn. In de watten gelegd door zijn team, Sky. De commentator noemde hoe “goed” hij het team wist te “bespelen”, zoals uitkiezen wie hem zou kunnen seconderen, wie voorop zou rijden, en waar en op wie hij kon terugvallen, en ze volgde alle zijn “aanwijzingen” op, zo goed was hij met mensen – me hoela! Het was de team leider die zorgde voor het geschuif en het geduw! Waarom zouden ze anders oortjes in hebben, als dat niet was om de instructies van de “baas” te kunnen horen? Toen hij het podium beklom op de Champs Elysees, was het gejuich, nu ja, laten we zeggen “bescheiden”.
Echter, het slechte werd opgelicht door het goede: Dylan Groenwegen (uit Amsterdam!), won de laatste etappe, een massa sprint in Parijs – dat is groots.

Het weer was niet al te goed, bewolkte luchten. Rolschaatsen staan in een hoek, ongebruikt. Een wandeling gemaakt – ik merkte dat het vervaalde rood op de oerlelijke brug over de gracht, die het park van de verkeersader scheidt, was overgeschilderd met een nieuwe laag rode verf – wat jammer; het vervalen had de brug minder opvallend gemaakt, minder afschuwelijk.

In de Orangerie stonden de Brugmansia’s in volle bloei! Ik duwde mijn neus in een van de “trompetten” en ademde in – een duizeligheid voer door mijn hoofd – de geur was overweldigend! Naast de trompet bloesem hing er nog een, maar verwelkt – voorzichtig snoof ik eraan en mijn neusgaten botsten tegen de geur van verrotting aan, bederf, dood – haastig wendde ik mijn hoofd af en begroef mijn neus in de verse, levende bloesem, om de naargeestige lucht van dood uit mijn kanalen te verdrijven. Op de grond, naast de kuip, lagen de uitgespreide vleugels van een kleine vogel – tussen de vleugels was het lijfje gereduceerd tot een amper zichtbaar skeletje van dunne vogelbotjes, de pootjes en klauwtjes staken naar voren als voor zijn laatste landing.

Eerder, aan gene zijde van het grote meer, merkte ik dat de deur van de vleermuizenkelder uit zijn voegen was gehaald, of zelfs dat ze waren verwoest. De vleermuizenkelder heeft, voor zover ik weet, nooit vleermuizen gehuisvest – het is een put uitgegraven in een hoop aarde, overwoekerd met planten – vanuit de hoop steekt een pui van bakstenen, waar de deur in de lijst past, zo ongeveer als een huis wat in een heuvel is gebouwd. Ik pakte mijn telefoon en scheen met de zaklantaarn in de kelder – verwachtte ik een levenloos lichaam aan te treffen? Of een half naakte vrouw, haar haar verward, haar ogen wijd open, wild, doodsbang en dood, het laatste wat ze nog ooit zou zien bevroren op dat versteende netvlies?
Niets van dien aard lag in de donkere ondergrondse ruimte – het licht van mijn telefoon onthulde water – waarschijnlijk een ondiepe laag op de keldervloer, aangezien ene boomstam midden in de kelder stond, steunend tegen de deurlijst. Het kwam bij me op dat dit zeker de ideale plaats was om een lijk te verbergen.

 

ENGLISH

01.51
Chris Froome won the Tour. He should not have. Molly coddled by his team, Sky. The commentator mentioned how “well” he could “play’ the team, like selecting who would second him, who would do the lead and where, whom to fall back on, and they all “followed” his directions, he was “that” good with people – my foot! It was the team leader who took care of all the shoving and pushing! Why else would they wear the ear buds, if not to catch instructions from the “boss”? When he ascended the podium on the Champs Elysees, the cheering was, well, let’s say: modest.
However, the bad was lit up by the good: Dylan Groenewegen, a Dutch cyclist (from Amsterdam!), won the final stage, a mass sprint, in Paris – that’s great.

The weather was not too good, overcast skies. Roller skates standing around, unused. Went for a walk – noticed that the fading red on the obnoxious bridge across the moat, separating the park from the thoroughfare had been redone with a fresh coat of red paint- what a shame; the fading had made the bridge less conspicuous, less awful.

In the Orangery the Angel’s Trumpet plants growing from their wooden tubs were in full bloom! I pushed my nose into one of the “trumpets” and inhaled – a dizziness swept through my head – the fragrance was killing! Beside the trumpet blossom I had chosen hung another one, but wilted – I tentatively sniffed at it and my nostrils bumped into the scent of rotting, decay, death – I hastily averted my head and buried my nose in the fresh, living bloom instead, to drive the sinister smell of death out of my ducts. On the ground, next to the tub, there were the outspread wings of a little bird – between the wings its body had been reduced to a barely visible skeleton of thin bird bones, its legs and claws sticking out as if for its last landing.

Earlier, at the far side of the big lake, I noticed that the door of the bat cellar had been lifted out of its hinges, or even that they had been busted. The bat cellar has, as far as I know, never housed bats – it is a well, dug out into a mound of earth, overgrown with plants – jutting out from the mound is a brick facade, where the door fits into its frame, not unlike a house built into a hill. I got out my phone and shone the inbuilt torch into the cellar – did I expect a lifeless body? Of a half naked woman, her hair disheveled, her eyes wide open, wild, terrified and dead, the last thing she would ever see frozen upon that stony retina?
Nothing like that lay in the dark subterranean space – the light of my phone revealed water – likely a shallow layer upon the cellar floor, since a log was standing in the middle of the cellar, resting against the door casing. It occurred to me that surely it would be the ideal place to hide a corpse.