Amsterdam, zaterdag-Saturday 29-07-17

17.02
Ik zat daar, te midden van een landschap van portfolio’s, enorme enveloppen, stukken karton, pakken tekenpapier, rollen vloeipapier, opgestapelde pakken tekeningen, andere enveloppen (met onbekende inhoud), grote platte doezen, kleine platte dozen…. en wanhoopte zo’n beetje, met mijn pijnlijke rug, van het aanhoudende bukken en hurken en voorover buigen om al dit spul vanonder de bank vandaan te slepen en om het uit de grote rieten mand te tillen, en vroeg me af, wat nu – mijn oog was op de klok, er stond 04.00 uur en ik zou om tien uur moeten opstaan en ik was nog niet klaar. Nou, eigenlijk was ik er helemaal klaar mee.
Toen viel mijn oog op iets wat lag te blinken in de geopende folio, die gedeeltelijk op mijn knieën rustte, zoals ik zat, mijn benen onder mij gevouwen, op de huiskamervloer – ik reikte ernaar en het bleek een ring te zijn. Van zacht glanzend geel metaal. Zou dat goud kunnen zijn? En trouwens, hoe was die ring daar beland, in de vouw van een folio die ik misschien voor het laatst heb geopend tien jaar geleden? Aangenomen dat ik hem om had, miste ik hem? Meestal herken ik een teruggevonden object onmiddellijk, al dan niet enorm gemist.
Ik stond op en ging naar de keuken en nam mijn vergrootglas van de haak – ik focuste op de binnenzijde van de dunne band en stuitte op het merkje en dat meldde: “14 K”. Nou, is dat nu niet een prachtig toeval!
Rest de vraag: hoe kwam hij daar? Van mijn vinger gegleden en ik heb hem nooit gemist? Van mijn vinger gegleden en ik miste hem en hield toen op hem te missen? Ik denk het laatste.

Ik deed de ring aan mijn vinger en ging terug naar het opgraven van mijn Opus Magnum. Om een lang verhaal kort te maken: ik telde 1229 tekeningen. Met het vooruitzicht op mijn netvlies van een veelheid aan scannen, archiveren en hernieuwd opbergen om uit te voeren voor eind augustus, ging ik naar bed om 5 uur in de morgen, en om tien uur weer op voor de afspraak in het scanbedrijf.

Het ene moment is het leven een slaperig rustoord en het volgende een gekkenhuis.

ENGLISH

17.02
I sat there, amid a landscape of portfolios, huge envelopes, sheets of carton, packets of drawing paper, rolls of tissue paper, piled packets of drawings, other envelopes (with unknown contents), big flat boxes, small flat boxes…. and sort of despaired, with my aching back, from the continued bending and crouching and stooping to drag all this stuff from under the couch and to lift it out of the big wicker basket, and wondered what now – my eye was on the clock, it said 04.00 and I would have to get up at ten and I was not done yet. Well, actually I felt very “done”.
Then my eye was caught by something glimmering in the opened portfolio, partly resting on my knees, as I sat, my legs doubled up under me, on the living room floor – I reached for it and it appeared to be a ring.  Of softly gleaming yellow metal. Could that be gold? And anyway, how did that ring get there, in the fold of a portfolio which I might have opened ten years ago? Supposing I used to wear it, did I  miss it? I usually have a sound recognition when I retrieve an object, which was, either or not, sorely missed.
I got up and went to the kitchen and took my magnifying glass from the hook – focusing upon the inside of the thin band I hit upon the mark, which said “14 K”. Well, isn’t that serendipity!
Remains the question: how did it get there? Fallen from my finger and I never missed it? Fallen from my finger and I missed it, then stopped missing it? I think the latter.

I put the ring on my finger and went back to unearthing my Opus Magnum. To make a long story short: I counted 1229 drawings. With the prospect on my mind’s eye of a whole lot of scanning, archiving and renewed storing to be done, preferably before end of August, I went to bed at five am, having to rise at 10 to keep my appointment at the scanning shop.

One moment life is a sleepy haven and the next it’s a madhouse.